Ik wil een dorp om in te verdwijnen

In een postume publicatie verlustigt Gerrit Komrij zich aan de pittoreske armoede van het Portugese dorpje waar hij naartoe verhuist. Dat loopt slecht af en levert een boekje vol sociologische waarheden op.

Gerrit Komrij voor zijn huis in Alvites, jaren tachtig Foto J. Rentes de Carvalho uit besproken boek

Het heeft iets amechtigs: een schrijver gaat dood, maar we willen hem nog een tijdje voor de vergetelheid behoeden. Vroeger gebeurde dat door de publicatie van een ‘definitief’ verzameld werk, maar daar worden nog maar zelden de middelen voor vrijgemaakt. Dus verschijnen er herdrukken, bloemlezingen en vergeten snippers uit het archief.

Vanuit dat perspectief is er weinig reden om op voorhand woest enthousiast te worden over Brieven uit Alvites van Gerrit Komrij (1944-2012), een honderd pagina’s tekst omvattende verzameling uit krantenstukjes (NRC Handelsblad) en dagboekaantekeningen bestaande observaties uit het Noord-Portugese dorp waar de schrijver op zijn veertigste naartoe verhuisde. Met zijn vriend Charles Hofman huurde hij er in 1984 een paleisachtige villa.

Het boekje begint met een prachtig stukje (dat we kennen uit De gelukkige schizo, 1985) dat Komrij schreef ter gelegenheid van zijn eigen veertigste verjaardag: ‘Ik zie eruit als een derderangs paljas en begrijp steeds minder van wat er om me heen gebeurt.’ En: ‘Veertig ben ik heden en een beklagenswaardige idioot geworden.’ In het zuiden verlustigde de midlife-man zich aan het primitieve dorpsleven. En, het moet gezegd, daar schrijft hij schitterend over. Neem dit pareltje over de huishoudsters die niets van elektrische apparatuur moeten hebben: ‘Het enige wat de vrouwen nog tot een vorm van lauwe symbiose kon verleiden, was de stofzuiger. Dat duurde tot de voorjaarsdag waarop ik de oudste meid met kalme waardigheid de nog brandende sintels uit de open haard zag zuigen. Een paddestoelvormig uitdijende rookkolom steeg op in het midden van de salon, toen was ook dat hoofdstuk voorbij.’

Zo krijgen we mooie passages over bejaarden, begrafenissen en processies, het dorpscafé en de klamme kou van de winter. Brieven uit Alvites is het soort boekje dat je vooroordelen logenstraft. Niet alleen omdat het heel goed geschreven is (een incidentele flauwekulzin als ‘Ons huis ligt als een witte fluwelen doos in de handpalm van het paradijs’ daargelaten), maar ook omdat het een kleine clash of civilizations bevat. Die toont zich in de blik van Komrij, die zijn nieuwe dorpsgenoten vooral ziet in termen van pittoreske armoede: ‘De vooruitgang is en blijft hier een toekomstfantasie.’ Eigenlijk wil hij naar het verleden én zich afzonderen. Dat zijn twee onmogelijkheden in een. ‘Het genot om jezelf, tussen mensen voor wie je niets betekent en niemand bent, te moeten handhaven.’

Dat paradoxale genot blijkt eindig. Plotseling, op pagina 97, staat Komrij op het punt van vertrekken uit Alvites ‘met materiaal voor een prachtige roman’. In zijn nawoord legt Mark Schaevers uit hoe dat zo gekomen is: moeilijke onderhandelingen over de aankoop van het huis en een plotselinge omslag in het gedrag van de dorpsbewoners. (Volgens de dorpsbewoners was er sprake van een omslag in het gedrag van os Holandeses). Komrij en Hofman werden weggepest, waarbij hun openlijke homoseksualiteit na drie jaar een steen des aanstoots bleek te zijn. Ze vestigden zich uiteindelijk een stuk verderop, waar Komrij zijn roman (Over de bergen) schreef.

De wetenschap achteraf maakt Brieven uit Alvites extra interessant, juist omdat de teksten zijn geschreven toen alles nog koek en ei was (of leek) en Komrij zich afvroeg: ‘Hoeveel idylle kan een mens verdragen?’ Speelde hij mooi weer tegenover de buitenwereld of draaide Komrij – de man van duizend maskers – zichzelf hier een rad voor ogen?

Zo toont het boekje een reeks sociologische waarheden. Over de onmogelijkheid van Komrijs aanvankelijke verlangen naar een gemeenschap waarin hij zich kon isoleren, maar ook laat het zien hoe de afkeer van de dorpelingen jarenlang onzichtbaar blijft, maar plotseling wakker gekust wordt. Dat geldt zeker voor de homofobie in Alvites, waar de (voor het Portugese platteland in de jaren tachtig) ernstige zonde van Komrij en Hofman kennelijk jarenlang in een Don’t ask, don’t tell kon bestaan. Maar toen de zaak (zeker door Nederlandse journalisten) expliciet aan de orde werd gesteld, kon er niet meer gezwegen worden en oordeelde men spijkerhard over de Hollandse herenliefde.

Het maakt dat Brieven uit Alvites méér is dan een gelegenheidsuitgaafje om ons eraan te herinneren dat Komrij een goede schrijver was – het is om zichzelf een zomeravond waard, al dan niet in splendid isolation.