Column

Hermans schilt niet

Wat gaan we op vakantie lezen? Vakanties zijn ideaal voor slow reading, mijn variant op slow cooking. Zoals je langdurig sudderend kunt koken, zo kun je ook langdurig genietend lezen. Daarvoor neem ik vaak een of twee dode auteurs mee die ten onrechte vergeten dreigen te worden – zij mogen ook wel weer eens in het zonnetje gezet worden.

Dit jaar doe ik dat met Ethel Portnoy (1927 - 2004), schrijfster van Amerikaanse afkomst die zich toelegde op lichtvoetige essays, columns en korte verhalen met een sterk autobiografische inslag; een klein eigenzinnig oeuvre, geschreven in het Engels en vertaald door anderen. Een sterke bundel is bijvoorbeeld De eerste zoen. Onlangs las ik van haar voor het eerst Gemengde gevoelens, geen handelsuitgave, maar een interessant boekje vol invallen en herinneringen, uitgekomen in 1992 ter gelegenheid van het 20-jarig bestaan van Opzij.

Portnoy schrijft laconiek, prikkelend en openhartig: „Ik ben geen gekwelde ziel. (…) Ik geniet van lichamelijke dingen: slapen, poepen, neuken.”

Over het huwelijk: „Ik denk dat ik ongeschikt voor het huwelijk ben geworden. Ik ben erachter gekomen dat het te veel van me vergt. Zelfs als ik mijn echtgenoot, of de man met wie ik samenwoon, alleen na zes uur ’s avonds zou zien, zou hij toch van me verwachten dat ik iets aan het eten had gedaan, en anders op zijn allerminst dat ik aandacht aan hem besteedde. Hij zou mij als zijn steunpilaar willen zien – en dat soort dingen heb ik niet meer te bieden. Het is al moeilijk genoeg om mezelf staande te houden.”

In 1988 scheidde zij van haar eerste man, Rudy Kousbroek. Ze schrijft over hem in Gemengde gevoelens: „De man met het groene haar. Ik zat in de tram, in Amsterdam. Een paar banken vóór me zat een stevig gebouwde man in een grijsbruine regenjas. Zijn piekerige haar was asblond, het soort grijzende blond waarin de donkere tinten bijna groen zijn. Dat is Rudy! Dacht ik meteen. Maar toen dacht ik: Dat kan niet, zijn haar is inmiddels zilvergrijs…Maar van achteren gezien was dit Rudy zoals hij twintig jaar geleden was, en onwillekeurig vloog ik terug naar mijn Ik van twintig jaar geleden, toen het zien van dat haar alles betekende. En wel zo volledig dat ik een onderzoekende blik op de man moest werpen toen we bij het Centraal Station allemaal uitstapten om mezelf ervan te overtuigen dat het Rudy niet was, en natuurlijk was hij het niet, dat had immers niet gekund. Toch was ik geschokt, niet alleen omdat ik deze geest uit het verleden had gezien, maar ook omdat die andere Ik kennelijk nog steeds in mij voortleefde.”

W.F. Hermans was een poosje een goede vriend van het echtpaar Kousbroek-Portnoy. Zij schrijft: „Woordloos conflict met W.F. Hermans, die bij ons in Parijs logeert. Ik heb het avondeten opgediend. Daarna zet ik voor iedereen een bordje neer met een mes en een mooie rijpe peer. We beginnen allemaal, behalve Hermans. Die blijft domweg stilzitten.

‘Ik schil nooit mijn eigen peer’, zegt hij nadrukkelijk.

Kennelijk heeft mevrouw Hermans altijd zijn peren geschild. Daarom hoor ik, een vrouw, tevens echtgenote, ook een pereschilster te zijn.

Ik negeer zijn opmerking.

Later neem ik zijn – onaangeroerde – peer weer mee naar de keuken.”

Zó goed schreef Ethel Portnoy. Ik wens u de komende weken nog veel van dergelijk leesplezier.