Doemscenario’s zat, maar intussen gaat het best goed in de eurozone

Het IMF schaalt vrijwel overal zijn economsiche prognoses terug, behalve voor Europa. Wordt de Grexit overdreven?

Wordt het de Grexit, de Chinese beursimplosie of een crisis in de opkomende markten? Vanuit het perspectief van Europa doet de economie het in 2015 tot nu toe prima – voor Europese begrippen dan. Maar toch zorgen de recente gebeurtenissen in de wereldeconomie voor een gevoel van naderend onheil. Zeven jaar na de Lehmancrisis, met diepe recessies, crisismomenten voor de euro en periodes van halfslachtig herstel is die nervositeit begrijpelijk. De reeks van teleurstellingen is lang.

Het Internationale Monetaire Fonds (IMF) logenstraft dat in zijn jongste prognoses die gisteren werden vrijgegeven. De eurozone zet daarin het herstel dat dit jaar vaart kreeg onverminderd door: 1,5 procent economische groei in 2015 en 1,7 procent in 2016. Maar dat optimisme geldt niet voor een groot deel van de rest van de wereld. Ten opzichte van de prognose van april van dit jaar, drie maanden geleden, zijn de vooruitzichten daar flink verslechterd. Dat geldt voor de Verenigde Staten en de aangrenzende economieën, die een slecht eerste kwartaal doormaakten. Het gaat op voor veel opkomende markten in Azië en Latijns-Amerika. En voor de olie-economieën van het Midden-Oosten.

Wat zijn de gevaren? Allereerst is er de Grexit. De Amerikaanse minister van Financiën Jack Lew waarschuwde gisteren opnieuw voor de gevolgen van een Griekse ineenstorting voor de financiële markten, en drong aan op een schuldvergeving. Sinds de Lehman-crisis zijn met name de Amerikanen beducht voor ‘unknown unknowns’: effecten op de financiële markten, die onvoorzienbaar en uiterst riskant zijn. In de eurozone is meermalen beweerd dat een Griekse schok relatief eenvoudig kan worden overleefd, en is met name Duitsland niet gediend van Amerikaanse stemmingmakerij. En nog minder van oppervlakkig advies. De Duitse minister Schauble grapte gisteren in antwoord op Lew dat hij Puerto Rico zó in de eurozone op zou nemen, als de Amerikanen Griekenland zouden adopteren.

Tot nu toe heeft de Griekse crisis verbluffend weinig gevolgen gehad voor het vertrouwen van consumenten en ondernemers in de eurozone. Belangrijker voor hen zijn de gedaalde olieprijzen en de lagere koers van de euro, die in een jaar tijd met een kwart is afgenomen. Daaraan dankt de eurozone ook vooral zijn huidige economische renaissance.

Tweede gevaar is China. Hoewel de beurskoersen daar enigszins tot bedaren zijn gekomen dankzij draconische beperkingen van de beurshandel, is China’s grootste risico niet verdwenen: het knappen van de zeepbel in de vastgoedprijzen en de kredietverlening. China moet de eerstvolgende jaren een overgang zien door te maken van een economie die voornamelijk werd gedreven door investeringen, naar een economie die veel meer draait op binnenlandse consumptie. Maar kan een Chinese crisis de rest van de wereld raken?

China is inmiddels groot genoeg om dat te doen, maar er zijn tegenargumenten denkbaar. Toen in 1997 en 1998 de Azië-crisis woedde – waarbij de huidige Griekse problemen verbleken – zette het Westen zich schrap voor wat een ongekende recessie aan het thuisfront zou gaan worden. Die bleef volledig uit. De tweede helft van de jaren negentig, tot aan het knappen van de dotcom-zeepbel op de beurzen, bleek een periode van ongekende voorspoed. Bovendien zorgt de huidige Chinese groeivertraging voor een neerwaartse druk op de prijzen van grondstoffen – met name olie. En dat is juist gunstig voor Europa.

Dan is er een derde risico, dat nogal onderbelicht blijft omdat Shanghai en Athene alle aandacht opeisen. Een stijging van de zeer lage rente in met name de Verenigde Staten kan voor grote problemen zorgen in de opkomende landen in Azië en vooral Latijns-Amerika. Toen de rentes in het Westen daalden als antwoord op de crisis, stroomde het internationale kapitaal snel naar landen waar het meer zou opbrengen.

Met name Brazilië is daar een goed voorbeeld van. Een stijging van de rentes in de VS zorgt voor een ommekeer: het geld stroomt dan even snel weer terug. Dat veroorzaakt een druk op de munten van opkomende landen en kan leiden tot het opdrogen van internationale financiering. Brazilië maakt op dit moment al een recessie door, en het IMF heeft de groeivooruitzichten voor dit jaar nog verder verlaagd. De economische groei van de vijf ASEAN-landen (Indonesië, Maleisië, de Filippijnen, Vietnam en Thailand) zijn al met een half procent teruggebracht, tot 4,7 procent. Zij zijn dubbel kwetsbaar: voor China én de Amerikaanse rentepolitiek. Het Fonds dringt er al tijden bij de VS op aan om een renteverhoging door de Amerikaanse centrale bank uit te stellen. Het heeft daarbij vooral de belangen van de opkomende markten in gedachten.

Grexit, China, de opkomende markten: hoe groot zijn al deze risico’s? De wereldwijde effectenbeurzen houden er nog niet echt rekening mee. De recente koersrecords in de Verenigde Staten en in sommige Europese landen wijzen op een onverminderd optimisme. De Morgan Stanley- wereldindex is 2008 alweer te boven. Maar heeft ‘de markt’ gelijk? De tijd dat we daarvan overtuigd waren is, sinds Lehman, al lang voorbij.