De laatste kans om over te gaan

Twee weken doorblokken onder intensieve begeleiding om zittenblijven te voorkomen: het werkt.

Leerlingen van zes verschillende scholen volgen de zomerschool in Amsterdam. Als ze voor twee vakken nu toch een voldoende halen, gaan ze alsnog over. Foto Bram Budel

„Ga je mee zwemmen?”

„Ga je zaterdag mee, iets leuks doen?”

Berichten van klasgenoten op hun telefoon proberen deelnemers aan de zomerschool op het 4e Gymnasium in Amsterdam deze week te negeren. En als ze al reageren, dan wat bits, zoals de 14-jarige Anne, zwoegend in lokaal K1. „Nee natuurlijk ga ik niet mee!!! Ik zit nog twee weken binnen, okéé?!”

En toch sprong Anne een gat in de lucht toen ze vorige week hoorde dat ze deze zomer nog twee weken op school mag doorbrengen. Frans bijspijkeren. En geschiedenis. Al die oorlogen, al die verbanden. Ze had het in de laatste proefwerkweek bedorven. Bij de grote lerarenvergadering spande het erom: zittenblijven of zomerschool. Anne stond in de Albert Heijn toen haar vader belde.

„Vandaag was er dus een vergadering…”

„Jahaaa! Dat wéét ik...”

„En ze gingen dus...”

„Ik wéét het! En?”

Nou, de halve Albert Heijn heeft geweten dat Anne van de schoolleiding naar zomerschool mocht. Ze trakteerde zichzelf op een zak snoep.

Bijna zevenduizend leerlingen in het voortgezet onderwijs volgen dezer dagen lessen op een zomerschool. Niet een summer school om zichzelf te verrijken in literatuur of muziek, maar zomerschool uit noodzaak. Gezien hun rapport hadden ze eigenlijk het hele jaar moeten overdoen. In plaats daarvan mogen ze twee vakken bijspijkeren waarvoor ze onvoldoende staan.

Onder intensieve begeleiding, één huiswerkbegeleider op drie leerlingen, buffelen ze nu twee weken lang van negen uur ’s ochtends tot einde van de middag in een klaslokaal. Ook op zaterdag. Scoren ze daarna een voldoende op de eindtoets, dan zijn ze alsnog over.

Het is dit jaar voor het eerst dat de overheid flink inzet op de zomerschool. Negen miljoen euro stelde het ministerie beschikbaar voor een „landelijke uitrol”. 260 van de 650 middelbare scholen maakten gebruik van de subsidieregeling. Scholen zetten het traject zelf op of kozen voor een extern bureau.

Een zomerschool kan een effectief middel zijn tegen zittenblijven. Dat toonde buitenlands onderzoek al aan. En ook een pilot van de VO-raad, de belangenorganisatie van middelbare scholen, liet onlangs positieve resultaten zien: 85 procent van de 320 leerlingen ging na het volgen van een zomerschool alsnog over. Van die groep is 75 procent dit jaar opnieuw bevorderd of geslaagd. Leerlingen blijven dus gemotiveerd.

Zomerscholen, lentescholen, weekendscholen, huiswerkklassen. De overheid doet er alles aan om het percentage zittenblijvers in Nederland omlaag te brengen. Ruim één op de vijf Nederlandse scholieren heeft wel eens een jaar over moeten doen, internationaal is dat maar 14,3 procent.

Oorzaak, zegt de VO-raad, is dat Nederlandse leerlingen relatief vroeg op een bepaald niveau worden geplaatst. Gevolg: een duur onderwijssysteem. Een zittenblijver volgt een jaar langer voortgezet onderwijs. Dat kost 7.400 euro per leerling per jaar. Iemand die naar de zomerschool gaat kost 650 euro per jaar exclusief btw. Tel uit je winst.

Maar niet elke leerling is ervoor geschikt, zegt Marit Gerretsen, die de zomerschool coördineert op het 4e Gymnasium. „Echte spijbelaars kunnen het jaar beter opnieuw doen. Het gaat om de grensgevallen. Leerlingen die nét een onvoldoende te veel hebben.”

Juist zij raken bij zittenblijven gedemotiveerd, is haar ervaring. „Dan doen ze het jaar erna ook niks, want die andere vakken kunnen ze gewoon. En als ze daarná opeens hard moeten werken, gaan ze onderuit. Dan hebben ze te veel achterover geleund.”

Zomerschool moet je verdienen, is het idee. De werkhouding op het 4e Gymnasium – de zomerschool telt veertig leerlingen, afkomstig van zes scholen – is dan ook voorbeeldig. Leerlingen, vooral jongens, zitten verspreid in de klas te werken. Ze zijn nog nooit zo stil geweest.

Alleen in lokaal K6 zit er één die op een blaadje een piemel tekent en het doorgeeft naar achteren. Gerretsen: „Die jongen heeft nu eenmaal de concentratie van een pinda.” De begeleider ziet het, maar een volgende piemeltekening verbergt de jongen alvast achter zijn schrift. Een brede grijns volgt.