De doden begraven of de levenden herstellen

In haar nieuwe zinderende roman duikt de Franse schrijfster in de wereld van de orgaandonaties. In melodieuze zinnen weet ze je samen met haar personages in een roes te brengen.

Op een ijskoude dag gaan drie jongens voor dag en dauw met hun surfplanken naar zee Foto Thinkstock

In 2000 schreef Philippe Claudel Zonder mij, een boek over een man die verantwoordelijk was voor het regelen van orgaandonaties. Een hyena noemde hij zichzelf, een man die zo gladjes mogelijk mensen op de hoogte moest stellen van de dood van hun geliefde en hen er vervolgens toe moest brengen toestemming te geven hun man, vrouw of kind zijn of haar organen te laten ontnemen. Claudels hoofdpersoon haat zijn beroep, zoals hij ook het leven haat.

Hoe anders is dat bij Claudels landgenote Maylis de Kerangal (1967), die in haar roman De levenden herstellen hetzelfde onderwerp bij de kop neemt. Op een ijskoude dag gaan drie jongens, die zichzelf de ‘Big Wave Hunters’ noemen, voor dag en dauw vanuit Le Havre met hun surfplanken naar zee. Ze behoren tot ‘de nomadische mensheid met door het zout en de eeuwige zomer gebleekte haren’ en dromen van legendarische surfreizen en golven die ‘vanaf de bodem van de oceaan komen, oeroud en volmaakt, je reinste schoonheid’. Simon Limbres is een van die jonge goden die bij zonsopkomst over de wereld scheren. Na een uur komen ze uit de branding, ‘uitgeloogd, wankelend op bibberbenen’, ‘terwijl hun tanden klapperen van taktaktak’.

Op de terugweg rijdt hun busje frontaal tegen een paal, Simon raakt in coma, hij is hersendood. Van een explosie van leven, van een situatie van pure kracht en extase, belanden we ineens in de stilte en roerloosheid van een lichaam dat niet meer reageert of communiceert. Van die uitbarsting van bruisend leven komt hij terecht in de wachtkamer van de dood.

We leren de jonge verpleegster kennen, die vermoeid is van ‘liefdeskoorts, die berg van opwinding, angstgevoel, gekte, grenzeloze impulsiviteit’. En met de anesthesist Pierre Révol, geboren in 1959, ‘het jaar waarin de dood werd geherdefinieerd’. Franse wetenschappers publiceerden toen een artikel waarin het criterium voor de dood niet meer hartstilstand was, maar het uitvallen van de hersenfuncties.

Révol houdt van zijn werk. Hij constateert het ‘vernietigingsproces’ in Simons hersenen én hij heeft de taak de familie op de hoogte te brengen: Simons moeder, zijn vader die houten kano’s bouwt, zijn vriendin.

Het scala aan verdriet verwoordt De Kerangal zonder sentimentaliteit. Voor de moeder was het alsof ‘ze was begonnen uiteen te vallen, alsof ze al een andere vrouw was, een brok van haar leven maakte zich los van het heden en zonk weg in een vervlogen tijd’. De vader wordt verteerd door schuldgevoel: ‘hij had die hobby gestimuleerd, hem laten ontstaan en gevoed, de kano’s, de Maori’s, de tatoeages, de oceaan, de osmose met de natuur, die hele mythische wirwar waar zijn kleine jongen voor was gevallen’.

Op Révol rust de taak samen met hen te ‘graven in dat broze deel van de taal waar over de dood wordt gesproken’. Op zijn beurt waarschuwt hij donorcoördinator Thomas Rémige, die zich bezighoudt met ‘het vreemde rondtasten op de drempel van het leven’. Hij is degene die in dit soort gevallen mentaal ‘warm moet lopen’, de naasten moet ‘maltraiteren’ en hun verdriet moet ‘opensnijden’. Hij moet meedogenloze zinnen uitspreken, instemming vragen met het verwijderen van Simons organen, en voorkomen dat er gesprekken gevoerd worden ‘waarin de vaagheid voortsleept’. Die zijn als ‘valstrikken voor het lijden’, weet hij. Hij ‘klust in de dood’ zegt zijn omgeving wel eens.

Ook Rémige heeft niets van de wanhopige doodswens van Claudels hoofdpersoon. Prachtig is het terugblikkende hoofdstuk waarin Kerangal hem naar Algiers laat reizen om een puttertje te kopen, een heel ritueel dat hij, met een rol bankbiljetten in zijn broekzak, beleeft als ‘leven zonder filter’: ‘dankzij de vogel kon je een landschap zien, een topografie voelen, een bodem en een klimaat proeven’. In zijn kantoortje in het ziekenhuis heeft hij aan de binnenkant van de deur een citaat uit Platonov, het eerste toneelstuk van Tsjechov uit 1878: ‘Wat moeten we doen, Nicolai? De doden begraven en de levenden herstellen’.

De Kerangal is wars van de beschrijving van zieleroerselen. Net als in haar vorige grote roman Naissance d’un pont (Prix Medicis 2010) over het bouwen van een enorme brug in de VS, geeft ze veel aandacht aan de ambachtelijke, professionele, technische kant van haar verhaal: in welke volgorde worden de organen verwijderd, hoe gaan de chirurgen te werk, hoe verloopt de logistiek. Haar zinnen zijn lang en melodieus, zetten zich golvend voort, waardoor je, net als haar personages – de handelende, maar ook de treurende – in een roes raakt.

De eerste paar pagina’s zijn taalkundig lastig en de lezer moet even doorzetten. Hij is als de surfer die net op zijn plank ligt en met zijn onderarmen zo hard mogelijk moeten peddelen om goed op de onderkant van de aanrollende golf terecht te komen. Maar wie eenmaal wordt meegevoerd, volgt ademloos het verhaal van de negentienjarige jongen en de weg die zijn hart gaat, in een tijdspanne van vierentwintig uur.

Uiteindelijk beland je, net als de surfers in de vroege kou, weer op het strand, waar de golf van de vertelling je bruisend op de kiezels smakt. Dat de roes van dit verhaal ook in de Nederlandse vertaling overeind blijft, is de grote verdienste van de vertalers.