Christenen werden vervolgd in joodse rijk Himyar

Op de plek van Jemen lag vroeger het joodse koninkrijk Himyar. In de zesde eeuw trok de koning ervan ten strijde tegen christenen.

FotoMerlijn Doomernik

Op de plek waar nu Jemen ligt, lag 1.500 jaar geleden het joodse koninkrijk Himyar. „Zelfs onder Nederlandse judaïsten is dat koninkrijk en die geschiedenis nauwelijks bekend”, zegt Pieter van der Horst. Hij schreef een boek over het vergeten koninkrijk. „Ik kom vaak op onderwerpen die tussen wal en schip zijn geraakt”, zegt de 69-jarige emeritus hoogleraar in het vroege christendom en jodendom aan de Universiteit Utrecht in zijn met studieboeken gevulde werkhuis.

Himyar was al vroeg een zelfstandig koninkrijk. Vanaf de tweede eeuw voor Christus was het lange tijd een belangrijke schakel in de handel tussen Oost-Afrika en de Mediterrane wereld. Volgens de overlevering heeft koning Abu Karib zich eind vierde eeuw als eerste tot het jodendom bekeerd, nadat hij bij de belegering van Yathrib (later Medina) ziek was geworden en door twee lokale joodse geleerden was genezen. Het joodse koninkrijk zou blijven bestaan tot het begin van de zesde eeuw.

Vreemd of helemaal onverwacht was die ‘verjoodsing’ niet, legt Van der Horst uit. „Aan het begin van onze jaartelling waren er in omringende landen als Egypte, Syrië en Jordanië al bloeiende joodse gemeenschappen. Dat maakt het aannemelijk dat, hoewel tastbare sporen ontbreken, joden toen ook al op het Arabisch schiereiland hebben gewoond.”

Joden in Arabië

Onder de wetenschappers die zich met Himyar bezighouden bestaat geen twijfel dat het rijk ongeveer anderhalve eeuw onder joodse invloed heeft gestaan. Daarop wijst ook de vondst van een synagoge in de havenstad Qani. Verder heeft de Franse expert Christian Julien Robin de afgelopen jaren Himayaritische inscripties gepubliceerd waarin onder meer gesproken wordt van ‘Zoon van het volk van Israël’. En daarmee werd niet alleen de koning bedoeld. De inscripties eindigden soms ook met shalom, de joodse vredesgroet.

„Het is wel de vraag hoe joods ze waren”, zegt Van der Horst. De bekendste (en laatste joodse) koning Dhu Nawas (522-525), ook bekend onder de joodse naam Yusuf, had behalve religieuze ook politieke motieven om joods te zijn. Yusuf hoopte zich met andere sterke joodse gemeenschappen te kunnen verzetten tegen de christianisering van Arabië door Byzantium en door het christelijke koninkrijk Axum in Ethiopië.

Onthoofd of verbrand

In 523, zo is in de anonieme christelijke tekst Het martelaarschap van Arethas te lezen, trok Yusuf ten strijde tegen de stad Nadjrân, in het noordwesten van zijn rijk (nu Saoedi-Arabië). Een groep christenen onder leiding van Arethas had er de macht overgenomen en een synagoge in brand gestoken. Na een kort, vruchteloos beleg, beloofde Yusuf de inwoners te sparen, als ze de poorten zouden openen en de hem verschuldigde belasting zouden betalen. Yusuf schond echter zijn gelofte en liet iedereen die niet het christendom afzwoer onthoofden of verbranden. Alle christenen kozen volgens de Griekse tekst met volle overtuiging voor het martelaarschap.

Na het bekend worden van de slachtpartij, besloot de Byzantijnse keizer met de Ethiopische koning samen te werken om Yusuf en Himyar te straffen. In 525 werd Yusuf verslagen en gedood.

De geschiedenis, die ook bekend is uit twee Syrische brieven, is volgens Van der Horst niet alleen curieus, maar ook relevant voor kennis van de vroege islam. „Dit was de voedingsbodem waaruit Mohammed putte. Het strikte monotheïsme – het christendom met zijn drie-eenheid noem ik niet zuiver monotheïstisch – nam hij over van de joden, de drang naar martelaarschap van de christenen.”