Tour moet het lekkere kaasje gaan verkopen

Het dorpje Livarot wil met de ontvangst van de Tour schitteren voor de wereld. „We hebben zoveel te winnen.”

Het peloton passeert de gedenkplaats voor gesneuvelde Commonwealth-soldaten in de Eerste Wereldoorlog. Foto Sebastien Nogier/EPA

Het „typisch doordringende aroma” van de kaas die ze in het Normandische Livarot maken „refereert aan koemest”, meldt Wikipedia. En dat is nauwelijks overdreven.

„Maar heeft u hem al geproefd?”, vraagt wethouder Philippe Guillemot op een bloedhete dag in juni. Guillemot, gehesen in een iets te warm, gitzwart kostuum, is verantwoordelijk voor de financiën van het piepkleine dorpje dat morgen de Tour ontvangt om, zoals hij de gemeenteraad uitlegde, „de economie te stimuleren”.

„Als je bedenkt dat we slechts 10 procent van de totale productie exporteren en dat het grootste deel daarvan naar Engeland gaat, dan zijn we nog lang niet op ons hoogtepunt”, rekent hij voor. Hij ziet grote kansen, vooral in de Benelux en Duitsland. „En daarom”, glundert hij bij de plaatselijke kerk, „wilden we de Tour”.

Livarot ligt ongeveer halverwege het bekendere kaasdorp Camembert en provinciestad Lisieux in het zuiden van de Calvados. Je zou er zo voorbijrijden als niet bij alle uitvalswegen inmiddels metershoge kaasdozen met de tekst ‘Vive le Tour’ waren opgesteld. De middenstand heeft zich behoorlijk uitgesloofd. Geen winkelpui zonder Tour-vlaggetjes, geen etalage zonder fiets of gele trui.

Is dat het waard? Vorig jaar liet de Alpen-stad Grenoble weten de organisatie „te duur” te vinden. Waarom zou een dorp van krap 2.500 inwoners dan wel de Tour in huis halen?

Kritiek is er nauwelijks, al weet iedereen dat de kosten hoog zijn. „Ik hou niet van wielrennen, maar zo’n feestje brengt dynamiek”, zegt medewerkster Laure Jouan van het plaatselijke antiquariaat. Zij heeft wat vergeelde boeken klaargelegd over regioheld Jacques Anquetil. „Misschien verkoop ik wel wat extra.” Evenveel enthousiasme bij de buren van hondensalon ‘Le Trimming Room’, waar een krakkemikkige koersfiets naast de hondenhokken staat. „Laat ze maar komen, de mannen.”

Morgenochtend krijgt de kleinste startplek van een Touretappe in 2015 er in het ‘Village du Tour’ zo’n 4.500 man bij: wielerploegen, journalisten, officials en sponsors. „En daar komt het publiek natuurlijk nog bij”, zegt Guillemot. Hij verwacht „minstens” 15.000 man. „En al die mensen kopen broodjes, drank en sigaretten.” Want de Tour, dat is geld verdienen. Zelfs voor een kleine gemeente, denkt de wethouder. Maar daarvoor moest wel geïnvesteerd worden.

Op voorhand moest Livarot 65.000 euro overmaken aan de Amaury Sport Organisation (ASO), de almachtige organisator en eigenaar van de Tour de France, bevestigt burgemeester Sébastien Leclerc. Daar komt nog 55.000 euro bij voor het huren van dranghekken en de organisatie van zij-activiteiten. Dat lijkt klein bier vergeleken met de 4 miljoen euro van Utrecht, maar op een begroting van ruim een miljoen is meer dan een ton veel geld.

„Maar de gemeenteraad was unaniem”, zegt de burgemeester trots. Livarot is niet alleen vermaard om zijn penetrante oranjekleurige kaas, maar is ook „territoire du cyclisme”: fietsland, verduidelijkt hij. Oud-renner François Lemarchand, ooit knecht van Greg Lemond (en nu, niet geheel toevallig, in dienst van de ASO) werd hier geboren en begon bij de plaatselijke wielerclub. Ook proloogspecialist Thierry Marie groeide in de buurt op. Over de streekkampioenen is bij de kaasfabriek van de familie Graindorge een expositie ingericht.

„We hebben zoveel te winnen”, jubelt de burgemeester. „Het WK-voetbal of de Formule 1 zijn buiten bereik. Voor een klein dorp is de Tour de France de enige mogelijkheid om voor de wereld te schitteren.”

Toen in 2012 het idee opkwam om de Tour uit te nodigen, zocht Leclerc contact met de (veel grotere) stad Pau, die dankzij de ligging aan de voet van de Pyreneeën al regelmatig startplaats was. „Het levert ze echt iets op”, zegt Leclerc. Maar hoeveel is onduidelijk. De ASO zelf (geschatte omzet: 170 miljoen, waarvan 120 door de Tour) praat in het openbaar niet graag over geld.

De vergelijking met Pau gaat ook een beetje mank, zegt Tour-directeur Christian Prudhomme desondanks. Want daar komt een groot deel van de inkomsten uit overnachtingen. Livarot heeft slechts één hotel met te weinig kamers om ook maar één wielerploeg onder te brengen. „Maar in het algemeen kun je zeggen dat je iedere euro die je investeert drie tot vijf keer terugverdient”, zegt Prudhomme. Bij een Grand Départ, zoals in Utrecht, komt volgens hem elke euro zelfs tien keer terug.

Uiteindelijk, vindt hij, zou iedere Franse plaats de Tour moeten kunnen ontvangen. „In principe betalen ze minimaal die 65.000 euro, maar we houden rekening met de grootte van een plaats”, zegt hij. „Een paar jaar terug vertrokken we uit een plaatsje in de Pyreneeën. De burgemeester stond de hele dag te huilen. Dit was de dag van zijn leven. De Tour bestaat bij de gratie van dorpen als Livarot.”