Structopaten

Van alle breedtesporters vond ik mensen die baantjes trekken in het zwembad de ergste, op de voet gevolgd door joggers/hardlopers. Ik had recht van spreken want nadat ik in een opwelling had besloten dat zwemmen de kortste weg was naar een nieuw lijf was ik even een baantjestrekker.

Ik moest me bij het buitenbad dagelijks legitimeren met een zwembadpas waardoor ze daar zeker wisten dat ik na afloop niet ging vechten of aanranden op de speelweide.

Baantjestrekkers stellen zichzelf niet de vraag of het niet wat overdreven is, om op dat tijdstip – het is altijd vroeg - te vragen naar zo’n pas. Die willen gewoon hun ding doen en doen niet aan interactie, behalve dan als ze zo’n type treffen dat te snel voor de ‘langzame baan’ en te langzaam voor de ‘snelle baan’ is. In tegenstelling tot hardlopers en wielrenners willen baantjeszwemmers het liefst niemand inhalen, dat haalt ze maar uit hun slag en dat laten ze je merken als ze je voorbij gaan. Dan zie je zo’n hoofd dat - vanwege het noodzakelijke brilletje dat oogontstekingen voorkomt en waarmee je de plukken haar en de gele urinewolken in ieder geval ziet - doet denken aan het kopje van een mier, nijdig naar je toe draaien. Voor mezelf hanteerde ik de regel dat ik, als ik voor de derde keer was ingehaald door dezelfde nog snellere, naar de langzame baan switchte. Daar ging je, als je weer eens per ongeluk getrapt was, automatisch hetzelfde gedrag vertonen tegen de echt langzamen: de mannen met tietjes, ouderen en motorisch gestoorden.

Zoals het altijd gaat bij vaste gewoontes zag ik na een tijdje vertrouwde gezichten. Soms trof je elkaar bij de douche bij de speelweide en voerde je een ultrakort gesprek dat net zo goed niet gevoerd had kunnen worden.

„Hoeveel?”

- „Vandaag twintig.”

„Ik veertig.”

Sommigen vond ik zo structopatisch dat je er gedachten van kreeg. De man die altijd ‘precies’ een half uur in het zwembad bleef en die het soms op een drafje richting kleedhok zette om maar binnen die tijd te blijven, daarvan wist ik gewoon zeker dat hij, eenmaal omgekleed, iets vreselijks ging doen.

Ik moest ook een keer wachten op een vrouw die onder de douche ‘lekker-lekker-lekker’ tegen zichzelf stond te zeggen waarna ik het niet kon nalaten te vragen of ze van koud water hield.

„Nee, hoor”, zei ze. „Ik vind het zwemmen altijd pas na afloop leuk. Gek, he?”

Helemaal niet gek, dacht ik toen, maar wat ik wel gek vond, was dat ze na het douchen in een paprika hapte en daarbij een gezicht trok alsof ze in een sappige perzik beet. Ik wist toen eigenlijk al wel dat ik ook deze hobby niet lang ging volhouden.