Le Corbusier: schilder die bouwde

Schilderij van Le Corbusier: Deux femmes debout a la chaise, olieverf/doek 130x97 cm, 1936 Beeld uit besproken boek

De makers van Le Corbusier. Mesures de l’ homme hebben hun grote, feestelijke tentoonstelling ter gelegenheid van het vijftigste sterfjaar van de meest bewonderde én verguisde architect van de 20ste eeuw niet laten bederven door twee recente boeken over de fascistische opvattingen van Le Corbusier (1887-1965). Het enige wat ze over zijn collaboratie in de Tweede Wereldoorlog vermelden, is de korte mededeling dat hij de jaren 1941-’42 doorbracht in het Franse kuuroord Vichy waar het met de nazi’s heulende regime van maarschalk Pétain was neergestreken.

Ook van een andere minder prettige kant van Le Corbusier – zijn megalomane, totalitaire maar niettemin invloedrijke stedenbouw – is weinig te zien op Mesures de l’homme (Maten van de mens). Slechts enkele tekeningen van zijn ‘ville contemporaine’ (eigentijdse stad) voor drie miljoen inwoners hangen er, een beetje verloren, tussen de vele ontwerpen, maquettes, meubels, boeken van en films over Le Corbusier.

Wel omvat Mesures de l’ homme tientallen schilderijen en enkele beelden van de architect. Dat is bijzonder want gewoonlijk zijn er daar hoogstens een paar van te zien op Corbu-tentoonstellingen. Weliswaar schilderde de architect een groot deel van zijn leven lang enkele uren per dag, maar architectuurhistorici hebben zijn beeldende kunst nooit serieus genomen en beschouwen die vooral als een hobby. Maar in Parijs blijken zijn schilderijen een onlosmakelijk geheel te vormen met zijn architectuur.

Dit wordt al meteen duidelijk in de tweede zaal van de tentoonstelling waar ‘puristische’ stillevens hangen van Le Corbusier en Amadée Ozenfant, zijn schilderkompaan in de jaren na de Eerste Wereldoorlog. In hun schilderijen wilden de twee puristen flessen, gitaren, pijpen en andere voorwerpen terugbrengen tot hun essentie, tot ‘pure’ vormen. Uiteindelijk leidde hun purisme tot de opvatting dat vrijwel alles in de 20ste eeuw een machine zou worden. Zelfs een schilderij omschreef Ozenfant eens als „een machine om te ontroeren”.

Een van Le Corbusiers beroemdste uitspraken is dat de woning een „machine à habiter” is (een machine om in te wonen). Maar op Mesures de l’ homme is nu goed te zien dat noch zijn puristische schilderijen noch zijn architectuur iets met de puur functionele vormgeving van machines te maken hebben. Le Corbusiers machineverering blijkt niet meer dan modieuze, holle retoriek: in zijn schilderijen en in zijn witte villa’s uit de jaren twintig ging het louter om mooie verhoudingen. Zijn hele leven lang was Le Corbusier op zoek naar de ideale verhoudingen in de architectuur. Zijn zoektocht mondde ten slotte uit in een eigen maatsysteem, Le Modulor, dat is gebaseerd op het menselijk lichaam. In het Centre Pompidou is er nu een hele zaal aan gewijd.

Ook de plotselinge stijlveranderingen in Le Corbusiers architectuur komen voort uit zijn beeldende kunst. Toen zijn Notre-Dame-du-Haut in 1955 in Ronchamp uit de steigers kwam, waren de welvende vormen van de bedevaartkerk een schok voor veel bewonderaars van zijn hoekige machine-villa’s uit het interbellum. Het was voor hen een raadsel waar het betonnen expressionisme van de kerk vandaan was gekomen. Maar de wulpse vormen van zijn kerk worden al aangekondigd in de houten sculpturen van menselijke figuren die hij vanaf 1940 samen met Joseph Savina maakte, zo is nu te zien in Parijs. Ook de rondborstige vrouwenfiguren in zijn schilderijen uit de jaren dertig, die een hele zaal van Mesures de l’ homme vullen, zijn voorbodes van de Notre-Dame-du-Haut. Zo werpt de tentoonstelling een nieuw licht op Le Corbusier: vijftig jaar na zijn verdrinkingsdood in de Middellandse Zee blijkt hij eerder een schilder die bouwde te zijn geweest dan een architect die schilderde.