‘Ik wil haar hier niet hebben. Straks hangt ze in het trapgat’ Grunberg: mee met de psychiater

Arnon Grunberg loopt een week mee bij de acute dienst in Rotterdam, die uitrukt voor mensen die een gevaar zijn voor zichzelf of hun omgeving. „Het is waar, ik verkoos het schrijven boven genezing.” Deel 1 van een tweeluik.

Illustratie Sebe Emmelot

‘We hebben symptomen nodig om overeind te blijven in het leven, wat niet wegneemt dat de symptomen een voor het leven vruchtbare deelname aan het leven continu bemoeilijken en bezwaren”, schrijft Paul Moyaert, hoogleraar wijsgerige antropologie, in Opboksen tegen het inerte – De doodsdrift bij Freud.

De observatie dat het ik niet meer is dan een verzameling symptomen en dat het er vervolgens slechts om gaat vast te stellen of die symptomen bijdragen aan ons zogenaamde succes in het leven of dat die symptomen het ‘normale’ functioneren in de weg staan, trof mij.

De belangrijkste vraag in onze cultuur lijkt mij: wat is psychische gezondheid, en hoe meten wij die? Die andere wezenlijke vraag, onder welke voorwaarden wij geweld toestaan en wat te doen met mensen die dat geweld onbevoegd uitoefenen, is eigenlijk een uitvloeisel van de eerste vraag. Dat het mentale probleem veelal aan het geweldsdelict voorafgaat, is namelijk een waarheid als een koe. Het verschil tussen patiënten en niet-patiënten is zoals bekend niet zo heel groot, minder groot dan velen zouden hopen in elk geval, maar het verschil tussen criminelen en patiënten is helemaal flinterdun. Waarmee uiteraard niet is gezegd dat elke patiënt crimineel is, wel dat vrijwel iedere crimineel ook als patiënt zou kunnen worden behandeld en anders wel tot patiënt wordt gemaakt in de gevangenis.

Zelfs de tegenstelling tussen onze cultuur en die ideologieën die deze cultuur vijandig gezind zijn, komt neer op de vraag: wat is normaal gedrag? En welke middelen zetten wij in om burgers te verleiden, of te dwingen, zich normaal te gedragen? Ik heb het over ‘onze’ cultuur en daarmee bedoel ik eerst en vooral de gezondheidszorg, want veel meer nog dan kunst en folklore is het de gezondheidszorg die wij echt met zijn allen delen en die ons raakt tot in het diepst van onze existentie. Cultuur anno 2015 in het Westen definieer ik als gezondheidszorg, en dan vooral psychische gezondheidszorg.

In het kader van het onderzoek naar wat psychische gezondheid is en hoe die te bereiken, dat wil ook zeggen te verspreiden onder de bevolking, verbleef ik in de zomer van 2013 twee weken in een psychiatrische instelling in België op een afdeling waar vooral psychotische patiënten werden voorbereid op een terugkeer naar de maatschappij. De woordkeus hier impliceert dat het psychiatrisch ziekenhuis zich niet in de maatschappij bevindt. En is de opvatting dat de patiënt moet terugkeren naar de maatschappij niet een normatieve uitspraak, waarmee ongetwijfeld economische belangen gemoeid zijn, waarover enige discussie wenselijk is?

In België werd ik na twee weken gediagnosticeerd met een angststoornis, maar ondanks aandringen van mijn kant kwam het niet tot behandeling, hoewel de hulpverleners, en niet geheel ten onrechte, ongetwijfeld zullen beweren dat ik therapieontwijkend gedrag vertoonde. Het is waar, ik verkoos het schrijven boven genezing.

Afgelopen herfst zocht een psychiater die voor de acute dienst in Rotterdam werkt contact met mij op grond van wat ik hier en daar over psychiatrie had geschreven. Hij heet Can en is in Turkije geboren. Na enige gesprekken kwamen we overeen dat ik een week met hem zou meelopen om over zijn werk te schrijven, onder voorwaarde dat de patiënten die we zouden zien vooraf toestemming zouden geven voor mijn aanwezigheid bij de gesprekken. En dat hun privacy beschermd zou worden; namen en details zouden dus worden gewijzigd.

De tweede week van juni meldde ik mij bij de acute dienst in Rotterdam. Meteen bij aankomst kreeg ik het Handboek Acute Dienst Rijnmond uitgereikt. Dat was prettig, want het was mij nog niet geheel duidelijk wat de acute dienst nu precies deed.

De acute dienst is vierentwintig uur per dag inzetbaar en rukt uit als een patiënt acuut een gevaar lijkt te zijn voor zichzelf of zijn omgeving. Ze rukken vrijwel altijd uit als mensen een zelfmoordpoging hebben ondernomen en zijn opgenomen in een ‘normaal’ ziekenhuis, om te bepalen of deze mensen vanuit psychiatrisch perspectief naar huis kunnen of moeten worden opgenomen in een psychiatrische instelling. Alleen een zogeheten ‘erkend verwijzer’ kan de acute dienst contacteren, bijvoorbeeld een huisarts, politie of de ambulante behandelaar. De patiënt zelf kan de acute dienst niet contacteren, hij kan uiteraard wel terecht bij een crisiscentrum.

Het blijft overigens lastig of ik over patiënt moet spreken of toch maar cliënt. Of misschien zelfs consument, in de hedendaagse gezondheidszorg is de patiënt vooral een consument die een stuk psychische gezondheid, met dank aan zijn verzekering, hoopt aan te schaffen. Ik houd het op patiënt. We moeten omwille van de overzichtelijkheid blijven vasthouden aan de geijkte categorieën; burger versus soldaat, patiënt versus psychiater.

Het kantoor van de acute dienst in Rotterdam straalt weinig medisch uit. Er zou ook iets heel anders kunnen worden geproduceerd dan gezondheid.

In het handboek lees ik bij de taken van de acute dienst: ‘Uitvoeren van interventies met als doel de situatie hanteerbaar te maken/houden.’

Iedereen die is opgevoed of zelf heeft opgevoed, iedereen die een langere liefdesrelatie achter de rug heeft, iedereen die collega’s heeft, zal dit herkennen. De helft van het leven bestaat uit het uitvoeren van interventies in de hoop situaties hanteerbaar te maken. Soms zijn er echter mensen nodig die van de interventie hun beroep hebben gemaakt, professionals, voor de waarlijk onhanteerbare medemens.

Zoals ik mij in België met de patiënten identificeerde, zo identificeer ik mij hier vrijwel meteen met de psychiaters. De schrijver is niet zozeer zijn eigen symptomen, als wel andermans symptomen. Hij vangt op en geeft door.

Ik spreek eerst kort met teamleidster Hilde. Zij legt mij de structuur van de acute dienst Rijnmond uit. De dienst valt onder Bavo Europoort, een zorgbedrijf dat onderdeel is van de Parnassia Groep.

„Er weken hier 55 mensen”, zegt Hilde. „Het streven is dat we in 80 procent van de meldingen er binnen twee uur zijn. Dat is een landelijke norm, maar dat halen we niet altijd. We hebben circa 3.200 face-to-face-contacten per jaar en een gemiddeld face-to-face-contact duurt 2,5 uur.”

In een andere context zouden de woorden ‘face-to-face-contact’ een erotische connotatie hebben. Ik kan me voorstellen dat ik iemand een sms stuur: ‘Heb je zin in een face-to-face-contact?’

Een van de belangrijkere taken van de acute dienst die ik deze week zal ontdekken is wat in het handboek wordt genoemd: ‘Beoordeling in het kader van de wet Bijzondere Opnemingen Psychiatrische Ziekenhuizen (BOPZ).’

Oftewel dwangverpleging.

De acute dienst kan in noodgevallen een IBS uitschrijven, een inbewaringstelling. Een IBS duurt maximaal drie weken en nadat die is uitgeschreven krijgt de patiënt een advocaat toegewezen en na ongeveer drie dagen komen rechter en advocaat samen in de inrichting kijken om na te gaan of de psychiater en de SPV (sociaal-psychiatrisch verpleegkundige) rechtmatig hebben gehandeld.

Ik ben nog geen anderhalf uur hier en nu al voelt het alsof ik al mijn hele leven psychiater ben geweest.

Zo aan het eind van de ochtend komt de eerste melding binnen. Het face-to-face-contact gaat plaatsvinden. Een vrouw van eind dertig met een jong kind, er zijn problemen sinds de geboorte van het kind. Ze is gediagnosticeerd met borderline. Automutilatie. Strangulatie, dat wil zeggen dat ze een poging heeft ondernomen om zich op te hangen. Ze heeft last van overgewicht. De vrouw was vrijwillig opgenomen in een kliniek, maar ze wil nu naar huis. Dat vinden de behandelend artsen onverstandig. Daarom moeten we er nu heen om te kijken of ze, tegen haar zin in, verder moet worden behandeld.

We gaan met de auto van Guno naar de kliniek, Guno is de sociaal-psychiatrisch verpleegkundige. De sfeer in de auto is ietwat gespannen, maar ook opgeruimd. We zijn blij dat we iets te doen hebben. Gek genoeg moet ik denken aan patrouilles in Uruzgan. Dezelfde combinatie van spanning, professionaliteit, idealisme en ietwat onderdrukte uitgelatenheid. Is het stabiliseren van de instabiele medemens niet ook een vorm van winning hearts and minds? Ik bedoel dit niet denigrerend, ik associeer vrij, en in hoeverre mijn vrije associaties nog psychisch gezond kunnen worden genoemd laat ik aan het deskundige oordeel van de autoriteiten over.

„Bij borderline geven we zo min mogelijk medicijnen vanwege mogelijk misbruik en suïcidegevaar”, zegt de psychiater in de auto. Hij voegt eraan toe: „De literair criticus Frederic Jameson omschreef borderline als een kenmerk van het postmodernisme. Ken je zijn werk?”

„Nee”, zeg ik. „Ik ga het lezen.”

We arriveren in de kliniek, die herinnert aan een betrekkelijk comfortabel budgethotel; op alles is bezuinigd, maar men heeft de behoefte aan comfort van de gast niet geheel uit het oog verloren.

In een zaal die het midden houdt tussen speelzaal en vergaderzaal zit de vrouw. Ze kijkt ons niet aan. Er zit verband om lichaamsdelen waar ze zich gesneden heeft. De sneden lijken vers.

„Ik wil naar huis”, zegt ze. „Ik heb hier helemaal geen zin in.” Ze kijkt naar de tafel.

Psychiater: „Je gaat jezelf weer pijn doen.”

Vrouw: „Ik heb me hier ook gesneden. Of ik me nu thuis snijd of hier, dat maakt toch helemaal niets uit. Ik wil gewoon naar huis, ik wil naar mijn kind.”

In de kliniek in België beweerden ze dat ik het lijden van mijn medepatiënten niet zag en dat dat de kern van mijn angststoornis was. Nu zie ik het lijden van de vrouw, maar ik laat het niet tot me doordringen. Dat hoort bij professionele distantie. Ik kan het ook anders zeggen: ik zou gek worden als ik het lijden van anderen tot me zou laten doordringen. Of moet ik het toch nog anders formuleren? Ik zou gek worden als ik mijn eigen lijden tot me zou laten doordringen.

Psychiater: „Weet u wanneer u zichzelf gaat beschadigen?”

Vrouw: „Stress. Onduidelijkheid levert stress op.” Ze voegt eraan toe: „Mijn vent wil me thuis niet hebben. Zou jij geen stress hebben als je vrouw zou zeggen: je mag niet thuiskomen?”

De psychiater zwijgt.

De vrouw gaat naar buiten, wij bellen met haar man.

De man zegt: „Ik wil haar hier niet hebben. Straks hangt ze in het trapgat, dan is mijn kind de rest van het leven getraumatiseerd.”

Maar ik ben romanschrijver, ik denk: er is een nieuwe vrouw. Ik geniet van mijn vrije associaties, maar ik weet dat de maatschappij die associaties soms voor onwenselijk houdt. Mijn instelling is echter: we zullen zien wie sterker is, de maatschappij of mijn vrije associaties. Misschien is het aan die instelling te danken dat ik mij vooralsnog buiten en niet in de kliniek bevind.

Na enig wikken en wegen wordt een IBS uitgeschreven. (De Parnassiagroep dringt er bij mij op aan duidelijk te maken dat een dergelijk besluit niet lichtvaardig wordt genomen.) De vrouw accepteert het besluit betrekkelijk gelaten.

We verlaten de kliniek.

In de auto is de stemming ietwat bedrukt, maar nog altijd professioneel. We hebben er het beste van gemaakt.

Ik sluit mijn ogen en denk even aan Uruzgan en daar is weer zo’n vrije associatie als een vreemde maar toch vertrouwde stem in het eigen hoofd: de psychiaters zijn het leger van de toekomst.

(Wordt vervolgd)