Column

Het systeem van de kunstmarkt wordt steeds zieker

‘Dit was de beste Art Basel ever. Niet alleen voor mij, maar voor alle deelnemers.” Galeriehoudster Annet Gelink klonk opgetogen toen ik haar twee weken geleden sprak, na afloop van de belangrijkste kunstbeurs voor moderne en hedendaagse kunst. De zaken waren nog beter gegaan dan verwacht. Veel galeries hadden hun stand al in de eerste uren na de opening volledig uitverkocht. Schilderijen met prijskaartjes van zes nullen vlogen als warme broodjes over de toonbank. Niet eerder had Gelink zoveel gretige verzamelaars bij elkaar gezien. Maar ze klonk ook een beetje bezorgd. „Waar gaat het heen, met deze kunstwereld?”

De wereld van het grote geld – denk aan hedgefondsmanagers, grootindustriëlen en internetmiljonairs – heeft de wereld van de hedendaagse kunst ontdekt. Natuurlijk, ook in de booming jaren tachtig werden hoge bedragen neergeteld voor werken van kunstenaars als Jeff Koons en Jean-Michel Basquiat. Maar de mate waarin de nieuwe rijken nu tegen elkaar opbieden om de beste werken van grote namen als Andreas Gursky of Gerhard Richter te pakken te krijgen, is krankzinnig te noemen. Niet alleen de grote galeries maar ook de veilinghuizen varen daar wel bij. Op de avondveiling van hedendaagse kunst in Londen haalde Sotheby’s afgelopen week het beste resultaat ooit: ruim 180 miljoen euro. 2015 is pas halverwege, maar het online kunstmarktmagazine Artnet heeft het nu al over „het beste jaar in de grootste wereldkunstmarkt die er ooit was”.

In dezelfde week waarin Sotheby’s records brak, publiceerde het Belgische kunsttijdschrift Rekto Verso een onderzoek dat een andere kant van de kunstwereld in kaart bracht: de sappelende kunstenaar. Het blad had ruim driehonderd Belgische en Nederlandse kunstenaars gevraagd naar hun financiële situatie. Die blijkt behoorlijk schrijnend: bijna de helft van deze professionele kunstenaars heeft zijn inkomen in de afgelopen jaren zien dalen doordat subsidies afnemen, er nauwelijks opdrachten zijn en instellingen slechts sporadisch honoraria betalen voor het maken van nieuw werk. Voor ruim de helft van deze kunstenaars ligt het jaarlijkse inkomen onder de 10.000 euro. Zij kunnen niet leven van hun kunstenaarschap en zijn genoodzaakt bijbaantjes te nemen, waardoor ze minder tijd overhouden om kunst te maken. Ze besparen door hun atelier op te zeggen of gaan werken met goedkopere materialen. „Soberheid is de nieuwe normaliteit”, aldus Rekto Verso.

Hoe is die soberheid te rijmen met de wereld van Art Basel, waar het geld over de kade klotst? Terwijl de grote verzamelaars massaal achter dezelfde grote namen aan blijven hollen, krijgen de iets minder bekende kunstenaars nauwelijks betaald voor hun werk. Zo wordt het kunstmarktsysteem, met zijn decadente toplaag en zijn bijna failliete onderlaag, steeds zieker. Want wat als straks de aanwas van jonge kunstenaars stokt? Waar moeten de superrijken der aarde dan hun geld aan uitgeven?