Hepworth laat de leegte spreken

Veertig jaar na haar dood eert Tate Britain beeldhouwster Barbara Hepworth met een retrospectief dat haar neerzet als internationale avant-gardist.

Het is de zomer van Barbara Hepworth. Vorige week opende in Tate Britain in Londen de eerste overzichtstentoonstelling sinds 1968 van haar werk. Onderwijl richt de Hepworth Wakefield Gallery in Yorkshire zich op haar jeugd in die provincie, op de beelden die ze in de tien jaar voor haar dood in 1975 maakte, en op de gipsen modellen van haar enorme bronzen sculpturen.

Niet dat Hepworth was genegeerd, of vergeten. Haar museum in Wakefield opende in 2011. Haar beeldentuin in Cornwall werd in 1993 onderdeel van Tate St Ives. Maar daardoor was, meent Penelope Curtis, directeur Tate Britain en curator van Sculpture for a Modern World, een beeld ontstaan van een provinciaalse kunstenaar. Zeker in vergelijking met Henry Moore, die andere grote Britse beeldhouwer en studiegenoot van Hepworth. De expositie in Tate Britain moet Hepworths reputatie als internationale avant-gardist nieuw leven inblazen.

Curtis en haar medecurator Chris Stephens doen Barbara Hepworth tekort. Haar beroemdste beeld staat immers op een van de meest internationale plekken ter wereld: voor het gebouw van de Verenigd Naties in New York. In Nederland zijn tien van haar werken permanent te zien in het Kröller-Müller Museum.

Rietveldpaviljoen

Curtis, die sinds haar afstudeerscriptie is gefascineerd door Hepworth en met deze expositie afscheid neemt van Tate Britain, is vol lof over het Rietveldpaviljoen naast het Kröller-Müller Museum, waar de tentoonstelling Sculpture for a Modern World vanaf november te zien zal zijn. „Hepworth noemde het zelf ‘de meest ideale omstandigheid waarin haar beelden te zien waren’.” Het paviljoen is in Tate Britain deels nagebouwd door studenten van de Royal College of Arts. Helaas is het Veluwse bos dat in Otterlo door de openingen zichtbaar is, in Londen een foto op een muur. Dat kan niet anders, maar Hepworth waardeerde juist hoe in het Rietveldpaviljoen de natuur buiten bij de binnenruimte werd betrokken. In de film Forms in Echelon uit 1953, te zien in Tate Britain, laat ze haar beelden ook in de natuur – in zee – zetten.

De expositie in Tate is ver verwijderd van dat ideaal. Vooral de eerste ruimte doet koud aan door de lichtblauwe muur en het gebrek aan daglicht. De vitrines, waarin de beelden uit haar beginperiode staan, creëren afstandelijkheid. Pas in de volgende ruimten wordt Hepworths talent om driedimensionaal te denken veel duidelijker.

Barbara Hepworth was niet bang te experimenteren. In een tijd waarin beelden boetseren gangbaar was, koos zij voor houwen. Waar anderen één dier afbeelden, is Doves (1927) haar eerste werk waarin twee vormen samenkomen, in een tederheid die ook later in bijvoorbeeld Figure: Mother and Child (1934) te zien is, of in het abstractere Two Forms (1937). Anderen – onder wie Henry Moore – hielden het op steensoorten, zij koos soms voor hout.

Terecht is er aandacht voor de relatie tussen Hepworth en schilder Ben Nicholson. De twee ontmoeten elkaar – beiden dan nog met een ander getrouwd – in 1931 tijdens een vakantie in Norfolk. Ze gaan een studio delen en krijgen een drieling. „Hun werk is een dialoog. Je ziet duidelijk in zijn werk dat zij zijn inspiratie is”, zegt conservator Stephens.

De chronologische opbouw van de expositie in Tate maakt duidelijk hoe Hepworth langzaam de kern van massieve objecten ontdekt en leegte laat spreken. Pelagos (1946) is daarvan een van de fascinerendste voorbeelden: een uitgeholde iep in de vorm van een naar binnen gekrulde golf, bijeengehouden door zeven dunne rode draadjes.

Dezelfde truc past Hepworth toe bij Delphi (1955), een blok donker Nigeriaans hout (bossé), dat van buiten als een kastanje is opgewreven, en dat ze van binnen ruw bewerkt heeft met haar beitel. Hepworth maakte Delphi na de dood van haar oudste zoon Paul, een luchtmachtofficier die in 1953 op zijn 23ste om het leven kwam. Haar vriendin Margaret Gardiner nam de rouwende Hepworth mee op rondreis door Griekenland, langs klassieke beelden, en regelde dat Hepworth het stuk bossé kreeg. Delphi en andere door Griekse eilanden geïnspireerde beelden zijn het resultaat.

Wilde natuur

Waar de Tate ophoudt, begint de Wakefield Gallery in Yorkshire. Hepworth werd in 1903 in Wakefield geboren. Het museum is speciaal voor haar werk gebouwd. Dat blijkt ook uit de aandacht die het daglicht hier heeft gekregen. Figure for Landscape (1960) en de aluminium maquette van Construction (Crucifiction), een ode aan Piet Mondriaan, een tijd haar buurman in Londen, kijken uit op een rivier. Haar liefde voor de natuur is een van de thema’s van de expositie.

Greater Freedom gaat in op Hepworths latere werk, toen ze meer ruimte had, de kinderen ouder waren, en ze al verschillende prijzen had gewonnen. In die vruchtbare periode, tien jaar voor ze stierf bij een brand in haar studio, maakte Hepworth bijna net zoveel als in de veertig jaar daarvoor. Ze realiseerde ideeën die soms al in de jaren veertig en vijftig waren ontstaan, maar waarvoor toen geen geld was.

Ook hier staat een Two Forms (1963) – van donker bossé – maar ook beelden van marmer, lei en zilver. En een prachtig opgewreven bronzen Oval with Two Forms. Interessant is vooral de aparte tentoonstelling Plasters, met Hepworths gipsen modellen voor bronzen beelden. De erfgenamen schonken het museum 44 van deze modellen, de meeste op de enorme schaal van de uiteindelijke sculpturen. Hepworth liet ze vaak vernietigen of eiste ze terug van de gieter. Ze verbood dat na haar dood nieuwe afgietsels gemaakt werden. Dat betekent niet dat de gipsen onaf zijn. Het zijn op zichzelf staande kunstwerken. Het prachtige Rock Form (1964) heeft bijvoorbeeld de groene kleur van zeewier op een rots, en is blauwgrijs van binnen.

Het gips maakte ook dat ze met brons ging werken. In eerste instantie vond ze dat materiaal niets, het voelde onnatuurlijk. De kwaliteit van hout of steen bepaalde voor haar de vorm, het had een ziel. „Ik leerde pas van brons houden, toen ik ontdekte dat gips vriendelijker was en ik het kon snijden en beitelen.”

Wie Hepworths werk buiten wil zien, in de omgeving waar ze haar beelden bedacht, moet nog iets verder reizen. In St Ives zijn haar studio en prachtige beeldentuin open voor het publiek. Daar staan de bronzen beelden zoals ze waren bedoeld: buiten in de natuur. „Ik, de beeldhouwer, ben het landschap”, schreef ze eens.