Hallo robots, dag boekhouders

Een deel van de beroepsbevolking voelt al de pijn van de voortschrijdende robotisering.

Banenverlies door robotisering zit in het middensegment

U hoeft niet bang te worden van dit artikel. Tenminste, niet echt. „Netto is technologische vooruitgang een zegen”, zegt Bas ter Weel, onderdirecteur van het Centraal Planbureau (CPB) . „Maar wat het betekent voor de verdeling van welvaart is wel belangrijk.”

Want voor middelbaar opgeleiden, zo’n drie miljoen Nederlanders ofwel eenderde van de beroepsbevolking, zijn robotisering en automatisering niet alleen een zegen. Hun beroepen, zoals drukkers, secretaresses en lassers, worden het snelst overgenomen, terwijl hoogopgeleiden en laagopgeleiden juist profiteren. Dat staat in het CPB-rapport Baanpolarisatie in Nederland dat Bas ter Weel en Wiljan van den Berge vandaag publiceren.

Het aandeel van middelbaar opgeleiden in het totale inkomen in Nederland is tussen 1980 en 2009 met 5 procentpunt gekrompen. De werkloosheid onder het middensegment (7 procent vorig jaar) is sinds de jaren negentig gegroeid ten opzichte van hoogopgeleiden en ook de langdurige werkloosheid is hoger.

De oorzaak is dat computers vooral het routinematige werk van middelbaar opgeleiden overnemen. Hoogopgeleiden hebben vaker analytische beroepen en laagopgeleiden doen meer dienstverlenend werk.

„In de jaren tachtig vervingen computers vooral zwaar en gevaarlijk werk”, zegt Ter Weel. „Nu kunnen computers boekhouders en vrachtwagenchauffeurs vervangen.”

Computers maken het ook gemakkelijker om het productieproces op te knippen en uit te besteden. Veel routinematig werk voor middelbaar opgeleiden verdwijnt naar Azië, terwijl westerse landen zich specialiseren in banen voor hoogopgeleiden. De productie van een Duitse auto stoelt tegenwoordig voor de helft op onderzoek, marketing en dienstverlening, aldus het CPB-rapport.

De grootste daling van de werkgelegenheid zit bij mensen in de middel ste loongroepen – en van hen heeft 55 procent een middelbare opleiding, volgens de onderzoekers. Maar een „belangrijke nuancering” van het CPB is dat de effecten in Nederland gering zijn in vergelijking met die in andere landen. „Een van de oorzaken is dat Nederlanders internationaal vergeleken hoger opgeleid zijn: onze mbo is deels vergelijkbaar met bachelor aan een Amerikaanse universiteit”, zegt Ter Weel. „Een andere reden is dat onze economische structuur afwijkt van andere landen. We hebben bijvoorbeeld minder industrie dan Duitsland.”

De drie miljoen middelbaar opgeleiden in Nederland vormen een gevarieerde groep met verschillende kansen. Het zijn mensen met een beroepsopleiding (mbo 2 tot en met 4) of een middelbare schooldiploma zonder vervolgopleiding.

Met gericht beleid kan de overheid de schade voor het middensegment wel beperken, stellen de onderzoekers. Van den Berge: „Er zitten bijvoorbeeld 450.000 werknemers tussen die ouder dan 25 zijn en een havo of vwo-opleiding hebben. De helft van die groep is tussen de 25 en 44 jaar. Als je die groep stimuleert om alsnog een vervolgopleiding te gaan doen, kunnen zij ook profiteren van de groeiende vraag naar hoogopgeleiden.”

Een manier om mensen weer in de schoolbanken te krijgen, zijn ‘opleidingsvouchers’, opperen de CPB’ers. „Je kunt een soort tegoedbon van tweeduizend euro geven om bijvoorbeeld een avondopleiding advocatuur te gaan doen”, zegt Van den Berge.

Een andere optie is het invoeren van belastingvoordelen voor werkgever die werknemers bijscholen. „Uit zichzelf investeren werkgevers weinig in scholing, omdat ze er niets aan hebben als werknemers daarna overstappen. Je kunt denken aan fiscale voordelen voor het trainen van 40-plussers. Het enige nadeel is dat mensen die eind dertig zijn dan moeten wachten tot ze aan de beurt zijn om een opleiding te krijgen.”