Column

Geen kattenpis

Ik vrees dat ik er geen traan om zal laten als Griekenland uit de euro wordt gegooid. Griekenland heeft het voor elkaar gekregen dat ik me opeens hopeloos rechts begin te voelen, want in het gezelschap van allerlei reactionaire lieden met wie ik vroeger nog niet dood gevonden wilde worden.

Van economie mag ik dan geen verstand hebben, van geld uitgeven wél, zoals mijn vrouw kan bevestigen; ik ken de dynamiek van deze sport tot in de finesses. Daarom weet ik hoe heerlijk het is om het geld te laten rollen zonder lang stil te staan bij de eventuele gevolgen. Ik spendeer liever dan dat ik angstig op mijn bankrekening let; dat laat ik aan mijn vrouw over. Zij is thuis de Dijsselbloem, ik ben de Varoufakis, met dit verschil dat ik er nog niet uitgegooid ben.

Allerlei linkse mensen naar wie ik altijd graag mocht luisteren, zoals Thomas Piketty, Willem Schinkel en Thomas von der Dunk, vinden dat ik solidair moet zijn met Griekenland. Dat ben ik ook lang geweest, maar de nieuwe Griekse regering heeft mij te veel op de proef gesteld. Mijn geduld is uitgeput, mijn achterdocht groeit, juist omdat ik de Varoufakis in mij zo goed ken.

Wie kent ’m trouwens niet, die Varoufakis? Piketty, Schinkel en Von der Dunk zullen hem toch ook weleens hebben meegemaakt? Het is een spontane, gezellige, goedlachse, charmante man. Hij houdt van de informele kant van het leven. Als hij klaar is met zijn werk, stapt hij op zijn motor – de vrouw achterop. Geen limousines, geen stropdassen. Marx zou erg tevreden over hem zijn; die citeert hij dan ook voortdurend.

Op een dag belt hij je op. Hij begint over het weer, zijn zieke kat en zijn naderende vakantie („Dit jaar ga ik eens de Bahama’s proberen”) en opeens zegt hij, bijna terloops: „Ik zit de laatste tijd door omstandigheden buiten mijn schuld een beetje krap, zou jij me wat kunnen lenen?”

Je wilt niet over die Bahama’s beginnen, want vrienden mag je niet in verlegenheid brengen. Dus antwoord je, al even achteloos: „Hoeveel heb je nodig?” „Met 2.000 euro help je me aardig uit de brand”, zegt hij snel.

Je moet even slikken. Geen kattenpis. Je begrijpt het ook niet helemaal, want je weet dat hij het geld een tijd lang met bakken uit het raam heeft gegooid. Het kon niet op: sieraden, huizen, reizen. Hij merkt je aarzeling en zegt: „Je krijgt het weer gauw terug.”

Nou, vooruit dan maar.

Een tijd lang – langer dan anders – zie je hem niet. Als je hem toevallig op straat tegenkomt, praat hij nergens over. Een poosje later bel je hem schuchter op – o wat haat je dat telefoontje, maar je moet het van de Dijsselbloem met wie je getrouwd bent. Hij reageert opgewekt: „Ik was het heus niet vergeten, maar ik zit nog even moeilijk. Daarom had ik je juist willen vragen: zou ik nog een extra bedragje kunnen krijgen?”

Je legt de vraag voor aan Dijsselbloem. Die zegt: „Eerst terugbetalen.” „Maar dan gaat hij misschien failliet en krijgen we helemaal niks meer”, werp je tegen. „We gaan geen wanbetalers belonen”, beslist Dijsselbloem. Je zucht. Je bent bang dat je een leuke, zonnige vriend verspeelt. Maar tegelijk besef je dat je misschien hetzelfde zou hebben beslist als je de verantwoordelijkheid van Dijsselbloem had gehad.

Je belt je vriend om hem het negatieve nieuws te melden. „Terrorist!”, roept hij en maakt een einde aan het gesprek.