Eritreeërs vluchten om slavenbestaan te ontlopen

Elke maand nemen duizenden Eritreeërs de wijk naar Europa. Ze zijn een bron van inkomsten voor het regime.

Armoede en onderdrukking gaan hand in hand in Eritrea (6,7 miljoen inwoners). Onder dictator Isaias Afewerki, die zijn land in 1991 bevrijdde van Ethiopië, „heerst de angst”, concludeerden onderzoekers van Verenigde Naties vorige maand.

Dat is ook terug te zien in de asielaanvragen in Europa. Het aantal asielaanvragen van Eritreeërs steeg in 2014 naar 47.140, ruim twee keer zo veel als het jaar daarvoor. Meer dan de helft van die asielaanvragen werd gedaan in Duitsland en Zweden, gevolgd door Zwitserland, Nederland en Noorwegen. Zes redenen waarom Eritreeërs proberen weg te komen.

1 In Eritrea geldt een dienstplicht voor onbepaalde tijd.

De vermeende militaire dreiging van aartsvijand Ethiopië is een voorwendsel om een nationale dienstplicht te handhaven. Sommige dienstplichtigen gaan onder de wapenen, maar de meesten worden gedwongen om hun leven lang voor het regime en militaire bedrijven te werken, bijvoorbeeld bij wegenaanleg en bouwprojecten. Ze hebben geen rechten en krijgen wrede straffen als ze niet gehoorzamen. Zelfs schoolkinderen moeten in hun vakantie op het veld werken. Om het perspectief van zo’n slavenbestaan te ontlopen, proberen jongeren om weg te komen.

2 De repressie is totaal.

Eritrea is een eenpartijstaat, waarin generaal Afewerki (69) de dienst uitmaakt. Burgerlijke vrijheden bestaan niet. Mensenrechten worden systematisch, op grote schaal en op grove wijze geschonden. Waarschijnlijk is sprake van misdaden tegen de menselijkheid. Daar moet de internationale gemeenschap onderzoek naar doen, zegt het onderzoeksteam van de VN onder voorzitterschap van de Australische diplomaat Mike Smith. In Eritrea zelf kan het regime straffeloos zijn gang gaan. Onafhankelijke rechtspraak is non-existent. Van een autoritaire staat is Eritrea de afgelopen jaren steeds verder geëvalueerd naar een totalitair stelsel.

3 Er vinden willekeurige opsluitingen plaats.

In 2001 leken de teugels even te worden gevierd. Maar dat duurde niet lang. Voorstanders van democratische hervormingen die voor hun mening waren uitgekomen, verdwenen al snel in de gevangenis. Verdwijningen en willekeurige opsluitingen zijn in Eritrea aan de orde van de dag. De omstandigheden in de gevangenissen zijn mensonterend.

4 Het regime is corrupt.

De Eritrese ambassadeur bij de VN in Genève noemde de kritiek op zijn land deze week een internationale „samenzwering”. Buitenlandse mensensmokkelaars zijn verantwoordelijk voor de exodus, niet de omstandigheden in Eritrea zelf, zei hij. Maar uit onderzoek van onder andere de Tilburgse hoogleraar Mirjam van Reisen blijkt dat Eritrese militairen zelf betrokken zijn bij mensensmokkel. Het regime in Asmara incasseert ‘belastingen’ die worden opgelegd aan de uitgebreide Eritrese gemeenschappen in de diaspora. Daarnaast zorgt de goudmijn van Bisha, die wordt geëxploiteerd door de Canadese onderneming Nevsun, voor een constante inkomstenstroom in de staatskas die wordt beheerd door de top van het regime. Tegen Nevsun is een proces aangespannen wegens de inzet van dwangarbeiders, iets wat het bedrijf ontkent.

5 Het regime luistert niet.

Tijdens de Koude Oorlog heeft generaal Afewerki geleerd dat hij het communistische Oosten, noch het kapitalistische Westen kon vertrouwen. Ook nu laat hij zich niets gelegen liggen aan internationale kritiek – zie de opmerking van de ambassadeur in Genève over een buitenlandse „samenzwering”. De drie diplomaten die namens de VN onderzoek deden, kwamen Eritrea niet in.

6 De diaspora houdt zich koest.

De arm van het regime reikt ver, via een uitgebreid spionagenetwerk van informanten. Honderdduizenden Eritreeërs verblijven in het buitenland, maar van georganiseerd verzet is geen sprake. Als er al dissidente clubs zijn, bestoken die voornamelijk elkaar.

De meeste Eritreeërs dragen trouw de ‘vrijwillige’ belasting van 2 procent af. Ze weten dat achtergebleven familieleden in gevaar komen als ze dat niet doen. Bovendien moeten ze zelf bij de Eritrese ambassade langs om reispapieren te kunnen krijgen. En ze weten nooit of mensen binnen hun eigen gemeenschap te vertrouwen zijn.

Toen VN-onderzoekers onlangs hun rapport kwamen toelichten in Genève, kregen ze politiebescherming. Ze waren bedreigd op straat. Zo’n 6.000 Eritreeërs waren naar Genève afgereisd om te demonstreren tegen het rapport dat volgens hun ambassadeur de vrucht is van „een duistere politieke agenda”.