Column

Een schoolmeester gaat uit stalken

Het verhaal over de afperser van John en Linda de Mol, en dan vooral over het slimme recherchewerk, deed me denken aan wat ik zelf heb meegemaakt in de zomer van 2000. Ik woonde met mijn kinderen, 10 en 7, in Amsterdam-Zuid en wekenlang werd ik om de paar dagen gebeld door een man die op dwingende toon zei dat hij met me wilde afspreken. Op een ochtend zei hij erbij dat hij mijn kinderen zou pakken als ik niet deed wat hij verlangde. Hij noemde hun namen, wat me niet bijzonder verontrustte. Maar ’s middags gingen we uit school vandaan toch naar de politie op de Koninginneweg.

Tot mijn verrassing namen ze de zaak hoog op. Ik kreeg het advies om tijdelijk ergens anders te gaan wonen, wat ik niet deed – waar moet je heen? Mijn kinderen werden bewaakt als ze naar buiten gingen, mijn telefoongesprekken werden afgeluisterd en iedereen in mijn omgeving was verdachte. Ik trouwens ook; er zijn mensen die zoiets in scène zetten.

Geen flauw idee wie die man was, ook niet toen de politie me vertelde dat hij altijd belde vanuit een telefooncel bij het winkelcentrum Boven ’t Y in Amsterdam-Noord.

Dat was gek. Ik kom uit Amsterdam-Noord. Dat winkelcentrum had ik nog gebouwd zien worden. Was dit een aanknopingspunt? Of ik wilde meedoen om hem in de val te lokken, vroeg de politie. Dat wilde ik wel, dus kwam er een aardige politievrouw bij me op bezoek die het script met me doornam. Afspraak maken. Vragen waar ik precies moest zijn. Vriendelijk doen, liefst een beetje onderdanig.

Op de dag – een woensdag – van mijn zogenaamde date zaten er ’s morgens drie rechercheurs in mijn huis, onder wie de vader van een klasgenoot van mijn zoontje. Mijn zoontje, hoorde ik later, vertelde die dag aan iedereen op school dat de politie bij ons was, maar verder verliep de operatie vlekkeloos. Bloedspannend! Wat zou de man doen als ik niet op het afgesproken tijdstip bij de ingang van de Hema zou verschijnen? Bellen?

Bellen ja, vanuit diezelfde telefooncel. Terwijl ik hem aan de lijn had, hoorde ik hoe de deur werd opengerukt en het arrestatieteam boven op hem sprong. ’s Middags moest ik hem identificeren. Hij zat in een cel op het politiebureau aan de Van Leijenberghlaan en ik keek door een one-way screen naar binnen. Verfrommelde kleren. Haar in de war. Hoofd in zijn handen. Wat een stakker. Maar ik had nog steeds geen idee wie hij was.

„De school van je kinderen”, zei de politievrouw naast me.

Hè?

„Hij is meester op de school van je kinderen.”

Het was waar. Hij stond voor de klas naast die van mijn dochter. Toen zag ik het patroon in de tijdstippen waarop hij me gebeld had. Voor schooltijd. Tijdens de gymles. Woensdagmiddag.

Hij kreeg een flinke gevangenisstraf, want ik bleek niet de enige vrouw te zijn geweest die hij gestalkt en bedreigd had. Had ik smartengeld moeten eisen, wat de politie adviseerde? Nee, want ik was niet boos. Waarom niet boos? Omdat ik niet bang was geweest. Geen ogenblik kon ik geloven dat het echt was wat er gebeurde.