Anne Teresa stroopt haar zwarte mouwen op

Over terug naar af, en dan gaan gloeien. Zero en nulkunst. Anne Teresa de Keersmaeker. Blade Runner.

Het zinsbegoochelen begint al in de eerste zaal van de tentoonstelling ZERO in het Amsterdamse Stedelijk. Een hele wand vol witte schilderijen. Van Schoonhoven, van Manzoni, van de nulkunstjongens van de jaren zestig (meisjes waren een onbekend concept). Ik ken hun werk. Het is vaak zo compromisloos, met een streng idee erachter, en wee mijn gebeente als ik denk aan mooi. Maar zo met zijn allen verraden ze zich als romantici op zoek naar lief- en leukheid. In laagjes en klodders. In strepen, vouwen en vegen. In stippen. In blokjes. In donsveren. In spijkers met koppen.

Wit is niks. Begin bij wit en je begint bij nul. Begin bij nul en de wereld ligt open. Zie die nulkunst gedijen. Nul is veel. Nul is alles.

Het is donker in de schouwburg. Het duister is het nulpunt. Op het onzichtbare speelvlak voert een violiste Bachs Partita no. 2 uit, het donker maakt alles uit, zelfs met je ogen dicht hoor je het niet zo goed. Na twintig minuten stopt ze abrupt. Het licht gaat aan. Ze loopt weg, danslegende Anne Teresa De Keersmaeker komt op. Met fenomeen Boris Charmatz, maar ik kijk alleen naar haar. Dit brok opgekropt gevoel geeft nu al 35 jaar de moderne dans een doorslaggevende douw.

En weer gaan we terug naar nul, want De Keersmaeker danst haar choreografie voor Partita no. 2 op de stilte. En daarna nog een keer, met de violiste erbij. Bachs compositie ontrolt zich nu als hoorbare dans, de dans is zichtbare muziek. Deze derde keer stroopt Anne Teresa haar zwarte mouwen op. Daardoor zie ik dat ze haar witte handen achterna danst.

Harrison Ford is nog jong en de hele tijd kletsnat. Blade Runner is opnieuw in de bioscoop, in The Final Cut, zoals filmer Ridley Scott die in 1982 voor ogen had. Mij ontgaat wat er anders is. Maakt me ook niet zo veel uit. Ik zie net als toen een adembenemende film. Maar toch anders. Destijds stonden we versteld van het toekomstvisioen in Blade Runner. Niet glanzend en supersonisch maar vuil en vervallen was de wereld geworden. Het zou altijd regenen, de natuur was weggevaagd. En de mens? Tot nul gereduceerd. Nooit alleen, altijd eenzaam.

Hé, dát was ik kwijt. De film gaat van start met een nadrukkelijke datering: „NOVEMBER 2019”. Toen was dat een sprookjesjaartal. Maar nu is het nu.

Dat toekomstbeeld was vaardig beredeneerd vanuit de gegevens van de jaren tachtig. Maar niemand zag internet of smartphones aankomen en ook verder klopt er helemaal niks van. Onbedoeld relativeert de film de zekerheid waarmee wetenschappers ook nu weer naar de toekomst kijken. Onlangs nog, in de tv-serie De volmaakte mens, stelden ze parmantig vast dat computers „slimmer” dan wij worden en ons dus zullen uitschakelen. Zou het? Overmoed schaadt. Ze redeneren vanuit zichzelf en hun eigen tijd. Negeren dat de mens onvoorspelbaar is en de technologie grillig. In hun eigenwaan sluiten ze verrassingen uit. Laat Blade Runner ze nederigheid leren.

Deze film is uitgewerkt als apocalyptisch visioen maar daarmee is hij niet achterhaald. Hij herrijst met een visie op het wezen van de mens. Wat bepaalt die mens, wat onderscheidt hem van de levensechte replicants? Het antwoord: zijn vermogen tot herinneringen. Elk shot van Blade Runner gaat erover. Die maken de mens tot mens. Heeft hij ze niet, dan is hij een trieste robot. Elke held heeft een moeder.