Waarom wij wel/niet solidair moeten zijn met Griekenland

De Europese politiek heeft solidariteit vervangen door boekhoudkundige calculaties, meent Willem Schinkel. Alsof we vergeten zijn hoe Duitsland na de oorlog tot bloei kon komen.

Foto AP/Giannis Papanikos

Waarom moeten we solidair zijn met de Grieken? Omdat wij, Noord-Europese burgers, ons structureel in dezelfde positie als zij bevinden. Die positie is die van de schuld. Zoals The Guardian vorige week nog uitrekende, is het overgrote deel van het Griekse ‘bailout’-geld naar Noord-Europese banken gegaan. Slechts tien procent is naar de Grieken zelf gegaan. Dit betekent dat wat retorisch gebracht wordt als ‘hulp’ en als ‘redding’ in feite een overheveling is van publiek geld naar private financiële partijen. En het betekent dat ‘de Griekse crisis’ een nieuw hoofdstuk is in de spanning tussen kapitalisme en democratie.

De Britse Jubilee Debt Campaign (een beweging die opkomt voor landen met torenhoge schulden, red.) laat op basis van IMF-cijfers zien dat vrijwel de gehele Griekse overheidsschuld in 2010 nog bij private partijen lag. Nu, in 2015, ligt 78 procent van de Griekse schuld bij publieke partijen, te weten bij het IMF, de EU en de Europese Centrale Bank. Dus voor een groot deel bij Europese burgers.

De ironie is dat Griekse en andere Zuid-Europese schulden voor een belangrijk deel ontstaan zijn uit de financiering van Duitse export naar Zuid-Europa. Belangrijk is te herinneren dat de Duitse mark een devaluatie kreeg met de invoering van de gezamenlijke munt, hetgeen Duitsland in staat stelde zich op export naar Zuid-Europese landen te richten.

Duitsland heeft zo bezien dubbel geprofiteerd van de ellende in Griekenland en elders. Men leende roekeloos geld waarmee Duitse producten gekocht konden worden. Is het gek dat partijen als Syriza en Podemos Duitsland ervaren als de kern van een Europese uitbuitmachine?

Duitsland voert het hardst de lijn van de bezuinigingspolitiek en van wat eufemistisch ‘structurele hervormingen’ heet. En Duitsland is inderdaad de kern van een Noord-Europa dat intussen met delen van Zuid-Europa een postkoloniale verhouding heeft van chantage en dwang via kredieten. Het halve gelijk van rechts-populistische partijen is dat dit niet in het belang van Noord-Europa is. Maar dat is zo omdat het vooral in het belang van de financiële elites is in die landen. Burgers worden zoet gehouden met leugens over Griekse volksaard (werkschuwheid) en economie van de koude grond (wie leent, moet terugbetalen). Politici zijn vooral bezorgd over het boekhoudkundig project ‘EU’. Feitelijk waarborgen ze daarmee de belangen van banken.

Ze lijken niet in staat te erkennen dat Europa met Griekenland voor een werkelijk politiek vraagstuk staat, dat over de definitie en invulling van Europese verbondenheid en solidariteit gaat – en over de reikwijdte van Europese democratie.

Achter de boekhoudtaal van Europese politici ligt vergaande depolitisering die idealen heeft vervangen door calculaties. Ook op het niveau van de politiek wordt het publieke uitgehold, in dit geval ten faveure van een technocratisch Europa dat vooral Noord-Europese banken ten goede komt. ‘Europa’ is verworden tot een instrument van financiële elitevorming. Het faciliteert een transfer van publiek geld naar private financiële instellingen, terwijl schuld de omgekeerde route neemt en in plaats van privaat publiek wordt.

Schuld is in toenemende mate het primaire instrument van een politiek die niet langer als zodanig herkend wordt en die als ‘common sense’ of als ‘pragmatisch’ bekendstaat. Die politiek van de schuld is, zoals de Griekse premier Tsipras terecht stelde, een vorm van chantage. Over heel de wereld geldt dat leven steeds sterker een leven in de min betekent. Burger zijn is schuld hebben.

Die minimalisering van het leven is in Europa op dit moment voor de Grieken het hardst voelbaar. Afgelopen week liet De Correspondent met OESO-cijfers zien dat Griekenland het land is dat het meest hervormd heeft tussen 2007 en 2014. Het effect: een verlies van 25 procent van het bruto binnenlands product (bbp). Een werkloosheid van 25 procent. En een overheidsschuld die sinds 2010 is gestegen van 133 naar 174 procent van het bbp. Door de EU, ECB en IMF opgelegde bezuinigingen is de Griekse economie voor jaren de nek omgedraaid, met desastreuze gevolgen voor jonge generaties, die hun onderwijs en werk in gevaar hebben zien komen, en voor ouderen voor wie pensioenen en zorg een levensgroot probleem zijn.

Omdat het beleid de schuld alleen maar heeft doen toenemen en het vertrouwen van schuldeisers tot een minimum heeft laten dalen, is er geen enkel werkelijk boekhoudkundig argument voor dit beleid te geven. Achter het Europese boekhoudproject ligt dan ook een klassenpolitiek, waarbij noordelijke financiële elites zuidelijke landen uitzuigen terwijl ze noordelijke landen met publieke schulden opzadelen.

Het is symbolisch dat het juist Duitsland was dat in 1953 met de London Debt Agreement precies kreeg waar de Griekse regering nu om vraagt: kwijtschelding van schulden. In 1953 maakte de kwijtschelding van de helft van de in het buitenland uitstaande schulden het voor Duitsland mogelijk de grote naoorlogse economische bloeitijd in te gaan die uiteindelijk ook in het voordeel van de schuldeisers bleek te zijn.

Even symbolisch is het dat Griekenland het begin vormt van verzet tegen de depolitisering, en de aanzet geeft tot democratisering van het Europese boekhoudproject. Het is in ons belang de Grieken daarin te steunen. Want de politiek van de schuld heeft ook ons in de greep. Op een dag betalen we daarvoor, maar dat is niet de eerste reden voor solidariteit. Die reden is dat echte politiek niet met schuld begint, maar precies dáármee: met solidariteit.