Vijf redenen om van Woody Allen te houden

In Filmmuseum Eye is deze zomer een groot retrospectief te zien van de films van Woody Allen, die dit jaar 80 wordt. Wat maakt hem nu zo bijzonder?

En dan ook nog behoorlijk goed klarinet spelen.

1 Woody Allen is ‘natuurleuk’

Kees van Kooten noemde Woody Allen ooit met een gevleugeld begrip ‘natuurleuk’. Grappen verzinnen gaat hem heel gemakkelijk af, vertelde Allen. Als schooljongen verdiende hij al meer geld dan zijn vader ooit had verdiend met het leveren van grappen aan krantenredacties. Als fysiek humorist heeft hij zijn beperkingen, vindt Allen zelf. Eigenlijk kan hij maar twee dingen goed spelen: de onhandige, met het leven worstelende New Yorkse intellectueel, in talloze meer of minder persoonlijke films, en de kleine oplichter en krabbelende showman in films zoals Broadway Danny Rose (1984). Maar als verbale humorist is hij onovertroffen.

2 En hij is razend ambitieus

Juist omdat de grappenmakerij hem zo gemakkelijk afgaat, heeft hij daar nooit veel bevrediging in gevonden. Bij al zijn breed geëtaleerde bescheidenheid getuigt zijn beste werk van enorme artistieke ambities. Hij begon met aaneenrijgingen van sketches in films als Bananas (1971) en bereikte zijn meer persoonlijke stijl met Annie Hall (vier Oscars in 1978). Sindsdien wisselt hij grote, ambitieuze films af met tussendoortjes – al hebben die laatste wel te veel de overhand gekregen. Hij werkte met de beste cameramannen (Gordon Willis, Carlo Di Palma) en ontwikkelde een kenmerkende eigen stijl in lange takes. Hij structureerde films als de bewustzijnsstroom van de held (in Decontructing Harry, 1997). In een van zijn meest geliefde films, The Purple Rose of Cairo (1985), stapt een filmpersonage van het doek de bioscoopzaal in. Allen is ook een van de aartsvaders van de pseudodocumentaire, zeer geslaagd in Zelig, (1983): zijn film over een ‘menselijke kameleon’ die zich naadloos aanpast aan zijn omgeving. In die film maakte hij ook innovatief gebruik van historisch archiefmateriaal waar hij zichzelf in monteerde.

Zijn ambities zijn niet alleen formeel en visueel, maar ook inhoudelijk. Allen wil iets zeggen over de grootste thema’s die er zijn zoals de liefde en de dood – voor een komiek is dat geen vanzelfsprekendheid. De laatste jaren grijpt hij te vaak terug op elementen van genrefilms. In plaats van een film te maken over de kunstenaar als oude man, heeft hij zichzelf uit zijn eigen films geschreven en laat hij ‘de Woody-rol’ spelen door veel jongere acteurs. Doodzonde.

3 Zijn films zijn nooit huiswerk

Als kind in Brooklyn in de jaren veertig zag Allen tussen de twaalf en vijftien films per week. Hij is nooit vergeten dat films in de eerste plaats moeten vermaken, een ontsnappingsmogelijkheid bieden naar een aangenamere, mooiere wereld. Ook al is dat een illusie, we kunnen niet zonder. Hij identificeert zich, zegt hij, het meest met de vrouw in The Purple Rose of Cairo die een liefdesverhouding krijgt met haar filmheld („Ik heb een man ontmoet. Hij is fictief, maar je kunt niet alles hebben.”) De ‘toeristische’, romantische blik van zijn latere in Parijs, Rome en Barcelona gedraaide films heeft er vanaf het begin bij hem in gezeten. De jongen uit Brooklyn was ook in Manhattan al een beetje een toerist.

4 Zijn carrière is uniek

Er is geen tweede filmmaker te vinden die er net zoals Allen al bijna vijftig jaar in slaagt om jaar in, jaar uit in volledige vrijheid films te maken zoals ze hem zelf voor ogen staan. Door te werken met bescheiden budgetten en met sterren die met een laag honorarium genoegen nemen slaagt hij erin te overleven als een ware ‘independent’. Hij kan zijn films volledig naar eigen smaak en interesses modelleren: van de grote filosofische kwesties die hem obsederen – wat is de betekenis van moraal in een goddeloos universum? – tot zijn favoriete wereldsteden en meest geliefde jazznummers.

5 Er is meer

In de jaren zeventig vielen zijn films vol getob met relaties, seks en psychotherapie samen met de tijdgeest van het ‘ik-tijdperk’. Grote successen zoals Annie Hall en Manhattan overschaduwen nog steeds zijn oeuvre. Maar er is veel meer goede Woody. Zijn films uit de jaren tachtig – van Hannah and her Sisters (1986) tot Crimes and Misdemeanors (1989) en Husbands and Wives (1992) – zijn even geslaagd. Bullets over Broadway (1994) is een van zijn meest vermakelijke, pure komedies. In 1999 was er dan eindelijk zijn langverwachte jazzfilm Sweet and Lowdown. Er valt altijd nog iets te ontdekken, deze zomer in Eye.