Verdwaald in zijn eigen universum

In Hollywood geldt het nu als de hoogste kunstvorm: een slapende filmserie (‘franchise’) tot leven wekken. Zaak is het ‘DNA’ te handhaven én te vernieuwen. Dat lukte met Star Trek en een beetje bij Jurassic World. Terminator Genisys toont hoe het niet moet.

Terminator was in 1984 de echte doorbraak van de Oostenrijkse bodybuilder Schwarzenegger: een kale, grimmige sf-film uit de tijd dat de nucleaire holocaust nabij leek. Na een kernoorlog tussen mens en machine wordt een humanoïde robot (Schwarzenegger) naar 1984 gestuurd om Sarah Connor te vermoorden, de moeder van mensenleider John Connor. Die stuurt op zijn beurt zijn adjudant Kyle Reese terug in de tijd om zijn moeder te beschermen.

Terminator Genisys is een zogeheten ‘re-imagining’. Ofwel: hetzelfde, maar anders. Opnieuw keren de Schwarzenegger-bot en Reese terug naar 1984, waar het nu wemelt van moordlustige robots en een oudere Schwarzenegger-bot een soort vaderfiguur is voor Sarah Connor. Hoe dat zo? Geen idee: alle losse eindjes en plotgaten lachen de makers ironisch weg – Schwarzenegger doceert kwantummechanica! En dan weer actie. Maar terwijl Reese zich als schoonzoon bewijst bij robotpapa en eerdere films uitputtend worden gesampeld, raakt het DNA zoek: deze camp heeft niets te maken met het plechtige fatalisme van Terminator. Even hol galmend als Hans Zimmers muziekscore, verdwaalt Terminator Genisys hopeloos in zijn eigen universum.