Online komt de prof niet meer weg met geestdodend college

Zet online cursussen niet in om studenten naar oude collegezalen te lokken. Deze ‘Moocs’ zijn bedoeld om direct te reageren op slechte leercurves en ineffectief onderwijs, betoogt Sanderijn Cels.

ilustraties angel boligan

Monter bieden de instituten de ene na de andere online cursus aan. Die gaan over aansprekende onderwerpen, zoals cybersecurity (Universiteit Utrecht) en de aanpak van ebola (Universiteit van Amsterdam). Het zijn professionele visuele producties en er staan onderhoudende docenten voor de camera. Ze zijn gratis, voor iedereen toegankelijk en dienen zodoende de democratisering van het onderwijs, volgens de makers.

Daarmee leveren de instellingen een mooi visitekaartje af. Je kan zien dat je er interessant onderwijs kan volgen, in welke vakgebieden ze willen uitblinken en dat ze met de tijd meegaan. Immers, overal ter wereld ontspruiten zulke Moocs – massale open online cursussen – en Nederlandse universiteiten laten zien dat ze niet achterblijven.

Stop daar snel mee. Met een dozijn mooie producties per onderwijsinstelling is dit doel ruimschoots gediend. We moeten de gevolgen van het online onderwijs onder ogen zien die zich reeds in de VS beginnen af te tekenen. Er staan pijnlijke ingrepen voor de deur.

Moocs jagen een nieuwe onderwijsvisie aan waarin niet ‘teaching’, maar ‘learning’ centraal staat. Kern daarin is dat studenten zich op eigen wijze bekwamen. Het leren kan snel of langzaam, auditief of visueel, op een abstract niveau of concreet, met extra moeilijke opdrachten of juist zonder, want de ene student kan meer aan dan een ander.

Deze onderwijsvisie wordt gevoed door Moocs: die doen de data over hoe studenten leren binnenstromen. Moocs maken het immers mogelijk om het gedrag van studenten online te volgen. Elke handeling – een klik, een pauze, een multiple choice-quizje tussendoor – geeft inzicht in wat ze doen, interesseert of verveelt.

Zo kan je per student een dataset aanleggen die bijvoorbeeld laat zien hoeveel minuten die spendeert aan het oplossen van een probleem en hoe hoog die scoort in tussentijdse vragensets. En je kan per cursusonderdeel inzichtelijk maken wanneer de aandacht van het gros van de studenten inzakt. Bij een standaard hoorcollege bijvoorbeeld – hoe boeiend ook – is dat steevast na 7 minuten, aldus onderzoek van het kenniscentrum van MIT en Harvard op gebied van online leren.

Kortom, de technologie achter de Moocs biedt talloze verfijnde inzichten in de leerpaden, het leertempo en de capaciteit van studenten. De ‘massale’ open online cursussen die nu in opmars zijn, jagen dus paradoxaal genoeg een onderwijsvisie aan waarin individueel leren centraal staat.

Het gebruik van deze data, hoe geavanceerd dat ook mag klinken, is redelijk eenvoudig. De modellen en tools worden reeds in de VS ontwikkeld en het is een kwestie van tijd voordat de grote Amerikaanse platforms waarop veel Moocs draaien, zoals Coursera en EdX, die gaan aanbieden. Ze negeren is geen optie; data-analyses zullen vast onderdeel gaan uitmaken van wat straks mondiaal onder ‘hoogwaardig online onderwijs’ zal worden verstaan.

Dit zal universiteiten dwingen om het eigen onderwijs kritisch tegen het licht te houden. De data-analyses zullen inzichtelijk maken hoever onze ‘teaching’ soms verwijderd is van ‘learning’ – terwijl we met het eerste eigenlijk het laatste willen bewerkstelligen. Zo kunnen we aan de data aflezen hoe geestdodend onze hoorcolleges soms zijn, hoe weinig studenten van de stof begrijpen en hoe weinig hen die interesseert, als bijvoorbeeld de link naar ‘aanbevolen literatuur’ nooit wordt aangeklikt.

De data zullen ook uitwijzen dat onze didactiek vaak niet erg verfijnd is: veel hoger onderwijs is nog steeds gericht op het loodsen van grote groepen studenten naar de eindstreep, zonder veel oog voor het vervullen van individuele behoeftes en het volgen van gedifferentieerde leerpaden – zeker in het egalitaire onderwijssysteem zoals we dat in Nederland kennen.

Naar die inzichten zullen we moeten handelen. Universiteitsgebouwen zullen op de schop moeten: als straks de hoorcolleges allemaal online worden aangeboden – en daar ziet het naar uit – zijn de zalen te groot. Dat kost veel geld. Docenten moeten gaan werken met interactieve cursuswebsites. Ze zullen zich meer moeten engageren met studenten en hun verschillende leerpaden, en de consequenties daarvan moeten dragen – door middel van extra modules of tussentijdse didactische ingrepen.

Dat kost tijd. Om dat van hen te vragen, zullen er performance-indicatoren moeten worden bedacht die hen prikkelen om deze substantiële inspanningen te leveren. Gerenommeerde hoogleraren zullen onder ogen moeten zien dat de hoorcolleges die ze al jaren houden niet effectief zijn. Dat krenkt trots. Tenslotte zullen er ontslagen moeten volgen. Docenten die nu een basiscursus draaien, zoals introducties in statistiek of onderzoeksmethoden, zijn straks overbodig. Die kunnen studenten namelijk prima online gaan volgen – zelfs bij een andere universiteit als die daar al een mooie Mooc voor heeft gemaakt en er een helpdesk bij heeft ingericht.

Het merendeel van de Nederlandse Moocs dat nu ontspruit doet goed dienst als reclame voor de eigen onderwijsinstelling. Het zijn prima experimenten en ze dienen ook vast en zeker de verdere democratisering van het onderwijs. Maar in plaats van energie te blijven steken in het ontwikkelen van veel meer van zulke cursussen kunnen we ons beter gaan richten op het in kaart brengen van de consequenties die de online ontwikkelingen zullen hebben. De data die Moocs generen bieden ons inzichten waarnaar we zullen móeten handelen – al is dat nog zo pijnlijk.