Kampeerfestival

Ik was gevraagd om op de laatste dag van (kampeer) festival Tentstock in het dorp Schaarsbergen voor te lezen. Ik had nog nooit van Tentstock gehoord, maar volgens de organisatie was het festival anders dan andere festivals doordat de bezoekers op het festivalterrein kampeerden waardoor ze in of bij hun tenten werden verrast met een prachtig programma vol muziek, literatuur, theater en kunst.

De combinatie cultuur en kamperen had me moeten afschrikken, maar misschien kwam het juist door mijn Oerol-verleden (erger dan dat kon niet) dat ik de zaak weer eens totaal onderschatte.

Ik moest ervoor naar de Veluwe, naar een verlaten vliegveld in het bos dat per openbaar vervoer onbereikbaar was. Gelukkig kon ik meerijden met een bevriende boekhandelmedewerkster die nog twee andere boekhandelmedewerksters had ingeladen, wat op zich wel weer een aparte dynamiek gaf waarover ik hier alleen maar wil zeggen dat werken in een boekwinkel ook een onderschat beroep is.

We bereikten het bos, waar de eerste vertrekkende kampeerders ons tegemoet kwamen. Na twee dagen tussen andere cultuur- en kampeerliefhebbers op een door de zon verschroeid veld met temperaturen van boven de 35 graden, denk je op de derde dag al snel dat er een tijd van komen en een tijd van gaan is.

„Ik voel me vies”, zei een meisje en terwijl ze het zei stak ze haar arm omhoog en snuffelde onder haar oksel. Ze had ook buikpijn, ze wist niet of het door het weer, de seks, al die cultuur of het Pakistaanse eten kwam.

Pakistan was een van de landen die in me opkwam toen ik het festivalterrein betrad. Daar stond ik dan op een veld vol halfblote literatuur- en cultuurliefhebbers, de meesten (letterlijk) uitgeteld. Af en toe zag je een schrijver voorbijkomen, je kon ze herkennen aan de grote passen waarmee ze voorzichtig over de cultuurliefhebbers heen stapten. Een deel van de organisatie, een vrolijke, maar afgematte blonde paardenstaart, meldde zich met de mededeling dat het ‘een fucking chaos’ was qua naderend onweer. Ze knikte naar een tafeltje, waar ik een in het zwart geklede columnist van De Gelderlander ontdekte. Hij begroette me met de woorden: „Heb jij wel vervoer terug?”

Ons optreden was ondanks de hitte gepland in een Yurt, een Mongoolse zweethut, waar ze tot onze verrassing hutjemutje op elkaar zaten, wat iets met naderend onweer te maken had.

Wat ik toen allemaal rook was een bonte mix van alle ervaringen ervoor: verstopte toiletten, Pakistaanse groentepannenkoek, schrijvers, boekhandelmedewerksters, verschraald bier en blote bovenlijven.

Na afloop vroeg een meisje met meerdere polsbandjes om, ook organisatie denk je dan, hoe of ik het had ervaren. Als een warm bad, heb ik toen gezegd.