‘Lezing over MH17-lichaamsresten was wél zorgvuldig’

Met zijn lezing over de identificatie van lichaamsresten was volgens het forensisch opsporingsteam niets mis, zegt hij zelf. Toch moest hij weg. „De minister zelf zit erachter.”

Maat: „Het was RTL dat ervoor koos deze besloten lezing in de openbaarheid te brengen.” Foto Chris Keulen

George Maat had de gewraakte lezing al een keer gegeven aan Maastrichtse studenten arts-klinisch onderzoeker. In maart. En ook in april, aan studenten forensische wetenschappen in Leeuwarden, en aan een landelijke groep coassistenten in Egmond aan Zee. Dezelfde lezing, over het identificeren van slachtoffers van grote rampen zoals het neergehaalde toestel van vlucht MH17. Dat zegt Maat, als hij een lijst tevoorschijn haalt met chronologisch de gebeurtenissen van het afgelopen half jaar.

In april werd de wereldwijd bekende en gerespecteerde wetenschapper plotseling publiekelijk verguisd omdat RTL 4 in een uitzending zei dat hij in een openbare lezing (Maat: „Waar Jan Rap en zijn maat zomaar binnen zouden hebben kunnen lopen”) beelden van slachtoffers had getoond, en allerlei geheime informatie uit het onderzoek had prijsgegeven. Kersvers minister Ard van der Steur had niet veel tijd nodig om te reageren. Wat Maat had gedaan was „buitengewoon ongepast en onsmakelijk”, en hij werd op non-actief gezet bij het Landelijke Team Forensische Opsporing (LTFO), dat onder meer was belast met het identificeren van de slachtoffers. „Ik was verbijsterd. Ik kon eigenlijk niet geloven dat hij het over mij had.”

Ook bij die eerdere lezingen waren afbeeldingen te zien van stoffelijke resten. En het LTFO wist ook dat Maat lezingen hield, zegt Maat. Sterker nog: hij had materiaal gebruikt van een cd die het LTFO zelf had gemaakt: een presentatie van de werkwijze van het LTFO, met beelden van het werk. Ook andere leden van het LTFO hadden dergelijke presentaties gegeven.

Maat was deze lezing in Maastricht, voor een studievereniging van gezondheidswetenschappers, begonnen met de vraag of er kennissen of familie van slachtoffers bij waren. Dat doet hij altijd bij lezingen. „Twee mensen staken hun vinger op. Ik gaf ze toen de gelegenheid de zaal te verlaten, omdat de beelden mogelijk confronterend zouden zijn. En ik zei dat als ze wilden blijven, ze na de lezing nog langs konden komen met vragen. Deze twee bleven zitten.”

Maat legt uit waarom het tonen van afbeeldingen van lichaamsresten cruciaal is in zijn vak, en in het lesgeven erover. In Nederland gelden alleen dna, vingerafdrukken en gebitsgegevens als bewijs voor de identiteit van een overledene. Niet paspoorten, nooit gezichten. „Gezichten zijn in afbeeldingen altijd onzichtbaar gemaakt met een soort grijs vlakje.”

De plaatjes zijn een wezenlijk onderdeel van het bewijs, zegt Maat. Het LTFO moet een id-commissie, in dit geval een internationale commissie omdat er ook niet-Nederlandse slachtoffers waren, overtuigen van de juistheid van de conclusies. Dus staan in het rapport niet alleen gegevens over gevonden dna, vingerafdrukken of gebitsgegevens, maar ook een zeer gedetailleerde beschrijving van hoe het team aan die informatie is gekomen. Met afbeeldingen van de lichaamsonderdelen waarvan dna is afgenomen, van de gebitten, van de inhoud van de lijkzakken met stoffelijke resten. „Van alle handelingen worden foto’s gemaakt, om een unbroken chain of evidence te krijgen.”

De identificatie is, benadrukt Maat, een heel technisch proces: hoe kan je van lichaamsdelen dna afnemen dat niet is besmet met ander dna. Besmetting is een groot risico in dergelijke omstandigheden. Vaak liggen lichaamsdelen op de plaats van de ramp door elkaar heen, of ze komen tegen elkaar aan in een lijkzak terecht. „We weten steeds beter hoe we dat moeten doen. Nederland loopt daarin voorop.” Hij geeft een voorbeeld. „Het heupgewricht in de binnenkant van de kom wordt goed beschermd door de omliggende anatomie. Bovendien zit er veel dna in het gewricht, omdat daar bloed wordt aangemaakt. Dat is dus een hele goede plek om persoonseigen dna af te nemen.”

Maat zegt dat hij tijdens de lezing niet de identiteit van slachtoffers heeft vrijgeven. Die kent hij namelijk niet, zegt hij. Bij het identificatieproces zijn er drie teams. Het ante mortem-team verzamelt informatie over de slachtoffers en heeft daarvoor ook contact met nabestaanden. Het post mortem-team waar Maat in werkte, onderzoekt de stoffelijke resten. En dan is er een team dat informatie van die twee combineert en de identificatie rond maakt.

Maats team werkt op volgnummer, niet op naam. „Alle lichaamsdelen, hoe klein ook, krijgen een volgnummer. Bij de MH17 ging het om vele duizenden nummers”, zegt Maat. „Op de afbeeldingen in lezingen zijn die nummers afgeplakt. Dat was ik bij één nummer vergeten, maar niemand in de zaal kon dat nummer herleiden naar een slachtoffer. Ik ook niet.”

De politie heeft een feitenonderzoek uitgevoerd naar de lezing van Maat. En op 10 juni werd Maat gebeld door de leiding van het LTFO met goed nieuws. „De champagne kon bij wijze van spreken open, het onderzoek toonde aan dat ik binnen de bestaande kaders van het LTFO had gewerkt, kreeg ik te horen.” Dit is wat de leiding van het LTFO hem telefonisch vertelde over de samenvatting van het onderzoek, ‘relaas’ geheten, zegt Maat: de lezing was niet openbaar. Studenten konden alleen naar binnen na aanmelding en op vertoon van hun collegekaart. De lezing was georganiseerd door en voor een vereniging van studenten gezondheidswetenschappen. Dat de vereniging ook andere studenten toeliet, wist Maat niet. De beelden die Maat gebruikte dienden uitsluitend de medisch-inhoudelijke kennisoverdracht, de lezing was integer en inhoudelijk, en er was geen reden dat Maat moest aannemen dat hij voor deze lezing aparte toestemming nodig had. Het was al jaren gebruik dat LTFO-leden college en lezingen gaven over hun werk.

Het rapport zelf en het relaas heeft hij nooit gekregen. Ook geen van de anderen die de politie heeft gesproken. Dat vindt Maat raar. Zeker omdat minister van Veiligheid en Justitie Ard van der Steur twee dagen later een brief naar de Tweede Kamer stuurde waarin Maat ineens wel een verwijt wordt gemaakt. Op grond van een samenvatting die afwijkt van het ‘relaas’ dat Maat te horen kreeg.

Zo staat in de Kamerbrief prominent dat Maat geen toestemming had gevraagd voor deze lezing – wat niet hoefde – en dat de studenten niet binnen de nauwe doelgroep van forensisch antropologen vallen – dat verwijt stond niet in het relaas zoals dat hem is verteld, en is nieuw voor Maat. „Die lezingen worden ook gegeven aan andere medici.” Maat zou ook zaken hebben besproken die buiten zijn vakgebied vallen. „Ik zeg juist aan het begin van iedere lezing dat ik alleen maar verstand heb van forensische antropologie, en geen toegang heb tot en geen mededeling doe over het strafrechtelijk deel van het onderzoek! Andere informatie komt uit de media.”

De slotsom van de Kamerbrief is dat Maat niet voldoende ‘discretie’ en ‘zorgvuldigheid’ heeft betracht, wat grote invloed had op de nabestaanden. Maat moet definitief weg uit het team. Waar hij overigens nog steeds geen formele, schriftelijke bevestiging van heeft gekregen. Ook niet van de oorspronkelijke ‘non-actief’-stelling in april. „Dat heb ik allemaal alleen via de media moeten horen.”

Maat weet niet waarom de Kamerbrief negatief is, terwijl hij van het LTFO goed nieuws kreeg. „Ik heb van een betrouwbare bron gehoord dat de minister heeft ingegrepen, omdat hij in het begin van de kwestie zulke ferme uitspraken heeft gedaan.” Maandag heeft CDA-kamerlid Pieter van Omtzigt Kamervragen gesteld over de gang van zaken. De minister zelf kan niet reageren tot die vragen zijn beantwoord, laat een woordvoerder weten.

Het verwijt van onzorgvuldigheid jegens de slachtoffers steekt Maat. Hij is niet ongevoelig voor het lot van de slachtoffers en hun nabestaanden, zegt hij. „Wij doen dit veeleisende werk juist voor de nabestaanden. Zodat ze zekerheid krijgen. Het was RTL dat ervoor koos deze besloten lezing in de openbaarheid te brengen, en de nabestaanden ermee te confronteren.”