Er staat meer op het spel dan Grexit

Hoeveel ruimte voor nationale soevereiniteit is er in een muntunie, vraagt Bas Eickhout zich af.

Gisteren kwamen eerst de ministers van Financiën en toen pas de Europese leiders bijeen om te praten over Griekenland. Eerst de economie dan pas de politiek. Volstrekt de verkeerde volgorde. Economische argumenten blijven het Grexitdebat overheersen, terwijl dit ondertussen al lang geen economische kwestie meer is. Het financiële besmettingsgevaar voor andere eurolanden is redelijk ingedamd. Of er nu wel of geen Grexit komt: het zal ons altijd geld kosten. De twee pakketten die op tafel lagen toen de onderhandelingen klapten, lagen in economisch opzicht dicht bij elkaar. Economische overwegingen zijn tot details verworden. It’s politics, stupid.

Daarom helpen de economische analyses in het debat ook niet meer. Je ziet een klassieke splitsing in de kampen. Meer klassiek, rechts georiënteerde economen zien een Grexit dichterbij komen en geven af op het gepruts van de Griekse regering. Meer links-georiënteerde economen kunnen hun sympathie voor de Griekse onderhandelaars moeilijk onderdrukken en sommigen van hen pleitten zelfs openlijk voor een ‘Oxi’ (het Europese woord van het jaar). Daar zit geen economische analyse meer achter; dat is eigen politieke overtuiging gebracht in economische termen.

De kern van de situatie nu is simpel samen te vatten: hoeveel ruimte is er nog voor nationale soevereiniteit in een gezamenlijke muntunie? Iedereen die afgeeft op een referendum waar drie procent van de eurobevolking zich mag uitspreken over de gewenste politiek rond de gezamenlijke munt, zet zich af tegen nationale soevereiniteit in de eurozone.

Echter, veel van dezelfde mensen zetten zich ook af tegen een Brusselse superstaat. Juist de huidige halfbakken constructie staat EU-lidstaten met een euro toe om eigen soevereine besluiten te nemen. In theorie. Want zodra dit botst met de visie van de andere euro-landen, blijkt die soevereiniteit een lege huls en komt zelfs de exit-optie op tafel.

Die andere eurolanden hebben allemaal hun eigen nationale context. De Spaanse premier Rajoy heeft in het najaar nationale verkiezingen en wil op geen manier Podemos wind in de zeilen geven. Syriza moet dus klein worden gemaakt. Angela Merkel ziet opstand in haar eigen geledingen, die haar bewegingsruimte tot bijna nul heeft gereduceerd. Rutte drukte op de nationale tv in 2012 al op rode knopjes over Griekenland. Zijn tenenkrommende populisme heeft z’n grenzen bereikt. Nu reduceert onze premier de gevolgen van een Grexit tot een half procent Nederlandse export naar Griekenland.

De grootste verliezer lijkt de Europese sociaal-democratie te worden. In Duitsland en Nederland lijken de sociaal-democraten Gabriel en Dijsselbloem rechts-Europa te overstemmen met anti-Griekenlandretoriek. In Frankrijk en Italië vraagt men zich verwonderd af waar de internationale solidariteit nog te vinden is. De sociaal-democratie lijkt uit elkaar te worden gescheurd langs de lijnen van Noord- en Zuid-Europa.

Ziedaar de trieste conclusie van het Griekse drama: er staat geen gedeelde Europese visie tegenover de harde beperkingen van nationale soevereiniteit. Het resultaat is een vacuüm waar technocraten als de Europese Centrale Bank een te grote rol wordt opgedrongen.

Hoe nu verder? Er rust een grote verantwoordelijkheid bij de huidige regeringsleiders. Er staat veel meer op het spel dan een Grexit of niet: de toekomst van de euro en de EU. Als we daarmee door willen, kunnen besluiten niet lichtzinnig worden genomen. Dan moet er een oplossing komen die de Griekse wensen serieus neemt en waarmee ook een echt Europees bestuur wordt vormgegeven met bijbehorende Europese democratische controles. Politiek onwenselijk? Dan moet je daar eerlijk over zijn en bereid zijn de euro los te laten.

Onze regeringsleiders staan voor grote keuzes. Na jaren doormodderen zijn de grenzen bereikt. Daar is geen economische analyse voor nodig, maar leiderschap.