De steden groeien weer, maar de kansarmen raken in de verdrukking

Onderzoeker SCP

Veel zwakkeren voelen zich niet thuis in hippe wijken.

Café in de Van Woustraat, Amsterdam, die snel haar volkse karakter verliest. Foto Olivier Middendorp

De grote steden winnen aan populariteit. Dat is goed nieuws voor de politiek. Die heeft de laatste jaren minder aandacht voor de aanpak van achterstanden en verloedering, en méér voor het opstuwen van economische groei die alle stedelingen meer welvaart moet brengen.

In werkelijkheid, stellen onderzoekers van het Sociaal en Cultureel Planbureau in het deze week verschenen essay Niet van de straat, merkt een vrij grote onderklasse daar weinig van. „Het imago van de stad als hip decor voor de dynamische levens van jonge, mooie en succesvolle professionals, zal voor kwetsbare stedelingen onherkenbaar zijn”, waarschuwen ze.

Auteur Lotte Vermeij: „Groei is voor stadsbestuurders steeds belangrijker. Laatst nog hoorde ik de burgemeester van Amsterdam zeggen dat hij wil horen bij de vier of vijf grote agglomeraties die straks binnen Europa belangrijk blijven. Dat is nodig, redeneert hij, om de welvaart te behouden. Maar de nadruk op groei en globalisering heeft gevolgen voor de lokale samenleving die nadelig kunnen uitpakken voor minder kansrijke stedelingen. Ook aan hen zul je aandacht moeten geven.”

De leefbaarheid van de steden is flink verbeterd. Moet de overheid nog wel achterstanden wegwerken?

„Kansarme stedelingen zijn er nog steeds en die kun je niet zomaar afschrijven. Ze wonen soms al heel lang in dezelfde buurt. Ze hebben moeite hun dagelijks leven vorm te geven. Ouderen kunnen kwetsbaar zijn. Migranten. Werklozen. Door de globalisering zie je in de steden steeds meer inwoners die niet erg gericht zijn op de eigen buurt. Ze hebben werk en vrienden in andere steden. Halen informatie uit de media. Aan de andere kant is er nog altijd die buurt waar je woont, waar je je kinderen veilig wilt laten spelen. Het kabinet verwacht dat in de participatiesamenleving bewoners zelf aan de slag gaan met bijvoorbeeld het inrichten van speeltuintjes en het omgaan met hangjongeren. Bij hoog opgeleide professionals lukt dat aardig. Maar kansarme stedelingen zijn moeilijker in beweging te krijgen.”

Die hele participatiesamenleving gaat aan kansarmen voorbij?

„Veel zwakkeren voelen zich er niet bij thuis. Ze willen soms liever een gewoon cafeetje dan een hippe juice bar. Niet iedereen wordt blij van een leuk festival. Nog sterker: sommige mensen worden er ongelukkig van, omdat ze zich er niet in herkennen. Dat zie je in wijken waar de gentrification heeft toegeslagen, een opwaardering van oude volkswijken, zoals de Jordaan in Amsterdam, door de komst van leuke, rijkere en vrolijke mensen. Daar zijn de oude inwoners verdrongen.”

Voor kansarmen is de eigen buurt belangrijker dan voor die hippe middenklasse. Waarom doen ze dan niks?

„Tja, kansarmen doen gemiddeld genomen überhaupt niet zoveel. Hoger opgeleiden hebben meer contacten. Meer zelfvertrouwen. Meer inzicht in wat beleidsmakers willen, in hoe je subsidie kunt krijgen. Arme mensen missen die vaardigheden.”

U signaleert dat als kansarmen iets willen, dat vaak als politiek incorrect of zelfs ordinair wordt beschouwd.

„Inderdaad, er is veel vooringenomenheid in de ideeën van beleidsmakers. Of zwakkeren zich ergens in herkennen, schuilt soms in subtiele dingen. Wij geven het voorbeeld van een vrouw in Amsterdam die gratis soep uitdeelt. Het is een actie waar eigenlijk alles goed wordt gedaan, maar die door de mensen zelf toch als opdringerig wordt ervaren. Het is niet iets van henzelf. Men moet zich vaker afvragen wat kansarmen zelf eigenlijk willen. De lokale participatiesamenleving slaagt alleen als ook deze bewoners er iets ‘eigens’ in ontdekken.”