Even terug

Schrijfster Pia de Jong verhuisde met haar gezin van Amsterdam naar Princeton, in de Verenigde Staten. Ze schrijft over wat haar opvalt.

Illustratie Eliane Gerrits

Ik arriveer in Nederland tijdens een van de warmste dagen ooit gemeten. Vanaf het Centraal Station in Amsterdam wandel ik over de mij zo vertrouwde grachten.

Een lange stoet toeristen luistert gedwee naar de druk pratende man met de vlag die voor hen staat. Elk van hen heeft een blauw lint om de nek met de naam van de reisorganisatie.

Als ik op de brug oversteek word ik bijna omvergereden door een fietser die in razende vaart de bocht afsnijdt. „Kijk dan ook uit”, bijt de jongen me toe, zonder zelfs maar vaart te minderen.

„Rechtdoor op dezelfde weg gaat voor”, roep ik hem naïef na, maar hij hoort me al niet meer. Ik wrijf over mijn pijnlijke arm. Toto, I have a feeling we’re not in Princeton anymore.

Nieuwsgierig betreed ik mijn logeeradres op de Prinsengracht met uitzicht op de Noorderkerk. Een grote, vrijwel geheel lege verdieping met veel ramen die ik onmiddellijk tegen elkaar openzet. In de enorme badkuip midden op de roze marmeren vloer zoek ik verkoeling. De spiegels en veelkleurige vloerlampen complementeren het decadente geheel. Het koele water doet de jetlag van me afglijden, evenals de hitte van de stad die alsmaar drukker en luidruchtiger lijkt te worden. Loom kijk ik op als de kerkklok twee uur slaat. Ik moet opeens denken aan een opstel dat mijn vader ooit over de Noorderkerk schreef:

„De mooiste kerk van Amsterdam, wat zeg ik, van Nederland, nee, van de hele wereld. De gouden haan hoog in de lucht draait met alle winden mee. Beneden, uit een herenhuis aan het brede plein, komt een mijnheer naar buiten. Hij draagt een zijden hoed. Plotsklaps staat hij stil, aarzelend, alsof hij niet zo goed weet waar hij heen wil gaan. De zon schijnt binnen door de grote ramen. Het is heel erg warm in mijn klaslokaal, waar we dicht op elkaar zitten. We vervelen ons. Hendrik zit propjes te schieten. Kees gaapt. Als de meester niet oplet, pak ik zijn aanwijsstok en loop naar het raam. Ik zet het open en strek mijn arm met de aanwijsstok heel ver uit. Net zo ver tot ik de klok kan aanraken. Ik geef een duw, en jawel, hij begint te slaan. Niet drie, maar wel vijf keer. De mijnheer op het plein kijkt verbaasd omhoog. Hoorde hij het goed? Is het al vijf uur? Hij maakt een sprongetje op de stenen. En nog een. Op klaarlichte dag danst hij met zijn zijden hoed over het plein.”

Ik stap uit bad en bel mijn moeder. „Mam”, zeg ik, „waar zat papa eigenlijk op school toen hij dat opstel schreef over de Noorderkerk?”

„Op de Sancta Maria school op de Prinsengracht”, antwoordt ze. Hoe is het mogelijk? Door een toeval ben ik beland in het oude klaslokaal van mijn vader. Met hetzelfde uitzicht op de mooiste kerk van Amsterdam.

Mijn vader zat hier op school in 1940. Hij deed de zevende klas. Hij vertelde altijd vol enthousiasme over die tijd. De paters die hem de liefde voor lezen bijbrachten en die hem bijspijkerden met rekenen. Dankzij dit extra jaar kon hij daarna naar het St.-Ignatius, bij de Jezuïeten.

Ontroerd loop ik door mijn logeeradres. De laatste die ik verwacht had aan te treffen bij mijn korte terugkomst in Amsterdam was mijn vader als dertienjarige jongen.