En altijd volgt de kus van het asfalt

Mijn laatste valpartij dateert van anderhalf jaar geleden. De gastvrouw – mijn schoondochter – zei dat ik gerust op de bank kon blijven slapen. Het was een vriendelijk aanbod, maar voordat ik mijn ogen sloot zag ik vanuit een laag perspectief een oerwoud van lege flessen. In dat landschap ontwaakte ik liever niet. Ik vond mijn jas en stapte op de fiets.

Het wilde feest waar overigens een gegronde reden voor bestond eiste in de allereerste bocht zijn tol: ik kwam neer op mijn kaak. Geen materiaalschade. Het gekke is dat ik me die val herinner alsof ze in een sequentie van duizendste seconden werd geregistreerd. Zou dat met mijn wielrennersverleden te maken hebben?

Ik herinner me al mijn valpartijen als renner. Het zijn tientallen filmpjes in slowmotion. Eerst de vaststelling dat je gaat vallen, of er al aan begonnen bent. Dan, ergens tussen hemel en aarde hangend, de acceptatie dat het weer eens zover is. Vervolgens de poging als een judoka de val te breken, waarop onvermijdelijk de kus van het asfalt volgt: schuren, branden, kneuzen, breken. Als laatste het tot stilstand komen in een ander, nogal pijnlijk universum.

De pest is natuurlijk dat per seconde die je blijft liggen, de koers zich verder van je verwijdert. Blijven liggen is geen optie tenzij het echt niet anders kan.

De ochtend na een valpartij zat ik weleens vastgeplakt aan de lakens. Erger was dat het fysieke systeem zelfs na de meest onschuldige tuimeling voor een paar dagen van slag was. Ook heel hinderlijk: de soigneur kon een gehavend been soms een week lang niet adequaat bewerken. Dat been bleef in de koers dus ver achter. Vaste prik ook dat er een paar wervels niet meer op hun plaats zaten.

Mijn eerste aansprekende valpartij beleefde ik op mijn tiende. We speelden Tour de Fransje in het dorp. Een onvoorzichtige toeschouwer stak over, met een ravage als resultaat. Ik bloedde als een rund. Achterop de solex van mijn moeder ging het richting huisarts. Toen die mijn linker wenkbrauw dicht naaide, gaf ik geen krimp. Ik was een Tourrenner, die huilen niet.