Uw hond komt uit Ramallah, zegt u?

Voor een hondenbezitter is het leven prettig in Tel Aviv. In horecagelegenheden zijn honden doorgaans meer dan welkom. En op straat slaken mensen – vooral vrouwen – geregeld kreetjes van geluk als ze mijn hond in haar ietwat droevige ogen kijken.

Natuurlijk wil iedereen weten hoe ze heet. Soumaya, zeg ik dan, waarna de eerste twijfel toeslaat. Is dat geen Arabische naam? Waar heb je haar eigenlijk vandaan? Uit Ramallah, zeg ik dan. Wacht even, hebben ze dat goed gehoord? Bedoel je niet Ramla, een stadje in Israël? Nee, echt uit Ramallah, de facto de hoofdstad van de Palestijnse Autoriteit. De meeste Joodse Israëliërs weten dan even niet hoe ze moeten reageren.

Dat is ook wel verklaarbaar. Als je naar Ramallah reist, kom je door het Qalandia-checkpoint. Een groot, rood bord voor dat checkpoint waarschuwt Israëliërs: „Deze weg leidt naar Area A, onder de Palestijnse Autoriteit. De toegang voor Israëlische staatsburgers is verboden, gevaarlijk voor uw levens en tegen de Israëlische wet.”

Dit leidt tot de vreemde situatie dat ik als Nederlandse journalist gemiddeld één keer per maand naar Ramallah ga, terwijl mijn Israëlische buren er nog nooit zijn geweest. Vaak zijn ze nieuwsgierig hoe het daar is. Als ik dan vertel dat je daar ook koffiebarretjes en hipsters hebt, net als in Tel Aviv, willen ze vooral weten of het er niet gevaarlijk is. Wat een groot, rood bord niet kan doen. In werkelijkheid is Ramallah sinds de tweede intifada, die duurde van 2000 tot 2005, een gemoedelijk plaatsje vol met backpackende vrijwilligers.

Het was ook bij een café in Ramallah dat we stuitten op Soumaya. Navraag bij de cafébaas leerde dat het om een straathond ging, die veel werd geschopt en geslagen en waarschijnlijk geen lang leven was beschoren. Daarop besloten we ons over haar te ontfermen.

Een ander voordeel van een hond is, behalve het eenvoudige contact dat je maakt met lokale bewoners, dat je bij het uitlaten nog eens ergens komt. Mijn huis in Tel Aviv bevindt zich op de grens van het aangeharkte centrum van de stad en een ruigere buurt die overwegend wordt bevolkt door Afrikaanse vluchtelingen. Zij zijn het probleem niet, maar ze hebben de pech dat ze door hun gebrekkige financiële mogelijkheden tussen de prostituees en drugsverslaafden zijn beland.

Dat merkte ik toen Soumaya mij om half negen ’s avonds meevoerde naar een straatje, twee blokken van mijn huis, dat ik tot dan toe over het hoofd had gezien. In plaats van huizen stonden er voornamelijk schuurtjes met golfplaten. Tot mijn stomme verbazing zat daar een rijtje mensen die een spuit in hun arm zetten. Het moet voor hen net zo goed een vreemde aanblik zijn geweest, zo’n lange man die uitgerekend hier op zijn slippers zijn hond uitliet. De meeste hondenbezitters slaan dit straatje schielijk over.

Mij bevreemdde vooral dat ze ongestoord hun gang konden gaan. Agenten waren nergens te bekennen. Het tafereel deed me denken aan verhalen over de Amsterdamse Zeedijk in de jaren tachtig. Zelf ben ik te jong om die tijd te hebben meegemaakt.

Normaal ben ik vooral gericht op het centrum van de stad, met de mondaine Rothschild-boulevard als blikvanger. Als ik mensen op bezoek krijg, is dat ook het eerste wat ik ze laat zien van Tel Aviv: hier schenken ze lekkere koffie, daar kun je 24 uur per dag ontbijten en kijk, aan dat balkonnetje wappert de regenboogvlag.

Misschien moet ik mijn volgende bezoek om half negen ’s avonds meenemen naar de Shvil Akko, die bij ons thuis inmiddels te boek staat als ‘het drugsstraatje’. Dan krijgen ze een eerlijker beeld van de mooie en minder mooie kanten van de stad – met dank aan Soumaya.