Column

Strop

Zaterdagmiddag, op het kookpunt van de hittegolf, besloot ik met het oog op de snel naderende vakantie enige zomerkleding aan te schaffen. Waarom uitgerekend op dat moment? Omdat ik relatieve rust in de stad vermoedde – wat klopte – én omdat ik me kapot verveelde bij de tv-uitzending van de Tour-tijdrit in Utrecht.

Het klinkt misschien naar Amsterdamse nijd, maar waarom waren ze in Utrecht zo blij met het allersaaiste onderdeel van de Tour? Ik benijdde de toeschouwers niet. Vier uur in de bloedwarmte moeten kijken naar eenzame renners die voorbij zijn geflitst voor je ze hebt herkend – da’s lang.

Op naar de stad dus, maar niet dan nadat mijn vrouw had gewaarschuwd: „Je bent eigenlijk te laat, ze zullen al voor een belangrijk deel door de zomercollectie heen zijn.” „Als je dat maar niet zegt waar de verkoopster bijstaat”, zei ik, „want dat werkt voor alle partijen demotiverend.”

Met mijn vereiste broekmaten (36 – 36) in de aanslag meldde ik me bij een verkoopster. Ze was nog met andere klanten bezig en verwees ons naar de bakken achter haar. We zochten met overgave, er waren nog allerlei broeken van allerlei formaten verkrijgbaar, maar 36 – 36 bleek een zeldzame, misschien wel voorgoed opgeheven cijfercombinatie, als een geheime code die in verkeerde handen was gevallen.

„Kunt u het vinden?”, vroeg de verkoopster toen ze tijd voor ons kreeg. „Néé”, zeiden we eenstemmig. Het moet wanhopig hebben geklonken, want ze voelde zich verplicht met een soort verontschuldiging te komen: „We zijn alweer bijna door de zomercollectie heen, vooral wat betreft de incourante maten.” Ik slikte het verkapte verwijt zwijgend; in kledingwinkels ken ik mijn plaats.

Ze begon vol medeleven met ons mee te zoeken en toverde enkele varianten op mijn maten te voorschijn die „misschien ook wel passen”. Ik verdween met vijf broeken in een kleedhokje, waar ik me al snel een Tour-renner voelde die na een dag verwoed en zinloos trappen een heet hokje in moet om aan de dopingeisen te voldoen. Schoenen uit, broek uit, broek aan, schoenen aan – liefst in die volgorde zolang je het nog kunt opbrengen. En elke broek moet even gedemonstreerd worden aan je sceptische partner, de vermoeide verkoopster en eventueel belangstellende andere wachtenden bij de pashokjes, in dit geval een chagrijnige moslima en een spraakzame man met een Rotterdams accent.

Geen enkele broek paste perfect, maar ik was al zo moe en bezweet dat ik daar niet eens meer op hoopte. De broeken hadden met elkaar gemeen dat ze op de achterkant van mijn schoenen bleven hangen. „Ze stroppen”, stelde mijn vrouw vast. „Dat ligt aan de schoenen, niet aan de broek”, zei de verkoopster. „Maar bij mijn oude broek gebeurt dat niet”, zei ik klagerig. „Dat is de mode, de pijpen van nu zijn nauwer’’, zei ze.

„Ik waag het er maar op”, zei ik. „Kunnen we ruilen?” vroeg mijn vrouw. Dat kon.

De volgende morgen namen we thuis de proef op de broek. Met allerlei soorten schoenen eronder. „Ze blijven stroppen”, zei mijn vrouw die erg van dat werkwoord lijkt te houden, misschien wel omdat het woordje strop erin opgeborgen zit. Ruilen dus maar? Er zat niets anders op.

Ik kreeg het opeens erg benauwd. Een loden warmte vulde de huiskamer. Buiten hing een donkere, onheilszwangere lucht. Op de tv begon in Utrecht de tweede Touretappe. Het werd een zware dag.