Ramp BP laat laag olie en ‘zeesnot’ achter op bodem Golf van Mexico

BP voorspelde in 2010 dat de gevolgen voor het milieu beperkt zouden blijven. Nu is er een schikking.

Het olieplatform Deepwater Horizon van BP in de Golf van Mexico staat in brand (boven).Beelden van de weggevloeide olie op zee en aan de kust (rechts). Foto’s EPA

De gevolgen voor het milieu zullen waarschijnlijk heel, heel bescheiden zijn. Dit zei Tony Hayward, toenmalig topman van oliebedrijf BP in mei 2010 tegen Sky News. Na een explosie op het boorplatform Deepwater Horizon in de Golf van Mexico lekte er toen al bijna een maand olie de zee in. Het zou nog twee maanden duren voordat BP het lek gedicht kreeg. In die drie maanden stroomden er honderden miljoenen liter olie de zee in. Maar echt, de milieuschade zou beperkt blijven.

Donderdag trof BP een schikking met de Amerikaanse overheid. Het bedrijf betaalt, bovenop de circa 43 miljard dollar die de olieramp al heeft gekost nog eens 18,7 miljard dollar aan schadevergoeding aan de vijf kuststaten en aan getroffen steden, en als boete voor het overtreden van de de Clean Water Act (wet op schoon water).

BP heeft tot op het laatst volgehouden dat de milieuschade wel meevalt. Het is de conclusie van een rapport dat het olieconcern dit voorjaar uitbracht: de gelekte olie verdampte snel, vervuilde gebieden herstellen sneller dan verwacht en er zijn geen langetermijneffecten op de vele dier- en plantsoorten in de Golf van Mexico die dus weer wordt zoals vóór de ramp.

Is het echt waar wat BP zegt? Viel de grootste milieuramp uit de Amerikaanse geschiedenis, zoals president Barrack Obama het noemde, eigenlijk wel mee? Boris Barisich (59) gelooft er in ieder geval geen woord van. Zijn hele leven vist hij al naar garnalen en oesters in de Golf van Mexico vanuit St. Bernard in het zuidoosten van de staat Louisiana. Vroeger had hij drie vissersschepen, nu nog één. Hij verkoopt zijn vis aan supermarkten, maar soms ook direct aan de consument.

Veel klanten durven geen vis te kopen

Na de olieramp kon hij tien maanden niet vissen. Het water was hevig vervuild en olie spoelde aan op de kust. Hij diende een claim in en BP bood hem, en vele andere gedupeerden, een schikking. „Ik kon het me niet veroorloven er echt een rechtszaak van te maken”, zegt hij nu aan de telefoon vanuit Louisiana. Intussen vist Barisich weer. Langzaam wordt het beter, al heeft zijn zaak het nog steeds moeilijk. „Veel klanten durven geen vis te kopen. Ze zijn bang dat het nog steeds vervuild is.”

En er is veel minder te vangen volgens hem. „Vroeger kon ik wel honderd dagen vissen naar oesters, nu vis ik vijf dagen en dan is er niets meer te vinden. Na een flinke storm spoelen er nog steeds olieresten aan op de kust. Hoe kan BP dan beweren dat het allemaal beter gaat?”

Dit vroegen wetenschappers bij de National Oceanic and Atmospheric Administration (NOAA, Amerikaanse KNMI) zich ook af. „Het is ongepast en prematuur van BP dat het nu al conclusies trekt over de impact van het olielek”, schreef NOAA naar aanleiding van het BP-rapport. Het is een mysterie waar de meeste gelekte olie gebleven is. Volgens berekeningen van NOAA is tussen de 25 en 40 procent van de 780 miljoen liter gelekte olie onduidelijk waar het gebleven is. De rest is opgelost of afgebroken (circa 40 à 50 procent), opgevangen (15 procent) of verbrand (5 procent).

Er zijn wel aanwijzingen waar de rest van de olie is gebleven. Onderzoekers van het C-IMAGE project vermoeden dat veel van de olie naar de bodem van de oceaan is gezonken. Tinka Murk, ecotoxicoloog aan de universiteit van Wageningen, onderzocht met wetenschappers van de universiteit van South Florida de effecten van olie op de zeebodem in de Golf. Deze onderzoeksgroep schat dat tussen 10 en 25 procent van de olie (dat is 78 tot 195 miljoen liter) nog steeds op de bodem van de oceaan ligt.

Dat komt zo: tijdens de ramp probeerde BP de olie te laten oplossen in het zeewater met miljoenen liters oplosmiddel. Dit lukte deels en zo werd voorkomen dat de drijvende olie de moerassen van Mississippi bereikte. Maar het middel zette algen en bacteriën op de bodem aan tot het maken van een soort zeesnot. Olieresten zonken, geplakt aan deze zeesnot en kleideeltjes, naar de bodem. „Dit snot met een dikke olielaag heeft al het leven eronder gesmoord en het afbreken van de olie is gestopt, want alle zuurstof die ervoor nodig is, is gebruikt voor de afbraak van het zeesnot”, legt Murk uit. En een dode zeebodem heeft grote effecten op het leven in de rest van de oceaan. Minder bodemleven betekent minder voedsel voor vissen, dolfijnen en walvissen. Het BP-rapport gaat volgens Murk alleen over het zichtbare deel van de Golf van Mexico, niet over wat er zich op de zeebodem afspeelt.

BP weerspreekt dat er nog veel olieresten op de bodem van de oceaan liggen. „Het is maar een fractie van de gelekte olie”, laat een woordvoerder desgevraagd weten. Nu is het nog niet met zekerheid vast te stellen hoeveel olieresten er precies op de bodem van de oceaan liggen, dat wordt nog steeds onderzocht. Ook de berekeningen van de onderzoekers van C-IMAGE zijn schattingen. Maar van veel olie is dus niet duidelijk waar die gebleven is en vissers, zoals Barisich, zien nog steeds olieresten aanspoelen. Het is daarom onwaarschijnlijk dat het hier, zoals BP zegt, slechts om een fractie gaat.

Waren er andere mogelijkheden de olie uit het water te krijgen? Ja, die waren er en BP gebruikte ook andere methoden. Zoals de olie verbranden, maar dit is een onveilige manier die bovendien veel luchtvervuiling veroorzaakt. Verder kon 15 procent van de olie direct worden opgevangen. De woordvoerder van BP benadrukt liever de initiatieven die dit soort rampen moeten voorkomen. Maar mocht dit nog eens gebeuren, dan zijn oplosmiddelen wederom een belangrijk onderdeel van het noodplan, zo laat de woordvoerder ook weten.

Er zijn nog meer redenen om bezorgd te blijven over het ecosysteem in de Golf van Mexico. Van veel diersoorten zijn er nu minder, kort na de ramp stierven veel schildpadden, vissen, oesters en vogels. Het aantal aangespoelde walvissen en dolfijnen is nu nog elk jaar hoger dan vóór de ramp. In de Amerikaanse staten met kustlijn aan de Golf van Mexico spoelden er tussen 2002 en 2009 per staat gemiddeld twintig walvisachtigen per jaar aan.

Dode dolfijnen en walvissen

Uit cijfers van NOAA blijkt dat na de olieramp in 2010 dit aantal snel steeg, vooral in Louisiana spoelden veel dode dolfijnen en walvissen aan. In 2010: 137, het jaar erop 163. In 2013 was het aantal 146. Er wordt nog onderzocht of dit helemaal toe te schrijven is aan de olievervuiling. Maar het is voor de NOAA wel reden om nog niet van een herstellend ecosysteem te spreken. Wat de echte langetermijneffecten van de olieramp zullen zijn is nog onduidelijk, zelfs als we kijken naar vergelijkbare rampen in het verleden. Ruim 35 jaar geleden, ten zuiden van de Golf van Mexico, was er een soortgelijke olieramp bij de oliebron IXTOC in de Golf van Campeche. Veel olie belandde daar toen op de bodem van de oceaan. Die olie ligt daar nu nog. En pas de afgelopen jaren is daar nieuw bodemleven ontstaan, bovenop de met slib bedekte olieresten. Pas in de komende jaren kunnen we erachter komen wat de olieramp bij Deepwater Horizon voor het milieu in de Golf van Mexico betekend heeft.

Over Tony Hayward hoeft niemand zich zorgen te maken. Hij vertrok in oktober 2010 bij BP. Hij heeft weer een topfunctie, nu bij Genel Energy, een ander oliebedrijf.