Griek kiest voor roekeloosheid

De stellingen zijn verhard, de impasse is groter dan voorheen. Een Grexit komt dichterbij, meent Luuk van Middelaar.

Illustratie Ruben L. Oppenheimer

Zoals we in Nederland op de avond van de Tweede Kamerverkiezingen niet altijd weten wie in het Torentje belandt, zo zijn in Athene de stemmen wel geteld maar wordt de politieke uitslag pas de komende uren en dagen bepaald. Dat gebeurt ook in Frankfurt, Brussel, Berlijn, Parijs, Madrid en Den Haag. Behalve 11 miljoen Grieken wonen in de eurozone nog 320 miljoen mensen. De zaak gaat allen aan.

Velen in Europa hadden liever een referendum met het Griekse eurolidmaatschap als inzet – erin of eruit? Maar zo’n duidelijk antwoord zocht premier Tsipras niet; hij zou zich ermee klem hebben gezet. Hij sleepte het volk erbij, zweepte een week lang emoties op, riep Waardigheid, Democratie en No Pasaran, om zijn onderhandelmacht te vergroten. Dat is hem gelukt. En nu? Naar de letter van het veelbesproken stembiljet verwierpen de Grieken het laatste formele hulpaanbod van hun Europese crediteuren. Dit is een belangrijk politiek feit. Daarmee nemen ze namelijk de medeverantwoordelijkheid voor de roekeloze onderhandelstrategie van hun premier. Dit geeft alle partijen ruimte, ook de crediteuren.

Een ‘ja’ zou de andere eurolanden moreel hebben verplicht tot een akkoord in de onderhandelingen. Die verplichting ontbreekt nu. De Grieken stemden zelf ‘nee’ in het besef dat het op een mislukking kan uitdraaien. De sfeer was: erger kan het toch niet worden. Een op CNN geciteerde vrouw sprak van een keuze „tussen een zinkend schip en opgegeten worden door de haaien”. (Voor de goede orde: de haaien zijn EU en IMF; zij koos voor het zinkende schip.) Teneur bij het nee: liever waardigheid in armoede, dan gekoloniseerd door Europa. Het is een sentiment waar de EU deels debet aan is. Maar de links-populistische regering heeft deze gevoelens van nationale trots, ressentiment en slachtofferschap verder opgestookt – met ernstige gevolgen.

Dit weekeinde vergeleek minister Varoufakis, die vandaag opstapte, de sluiting van de Griekse banken met ‘terrorisme’. Het IMF is zulke scheldpartijen gewend uit Latijns-Amerika, maar voor de Europese Centrale Bank is het wennen. Zelf vinden de centrale bankiers dat ze hun mandaat flink te buiten gaan om het Griekse bankenstelsel te redden. Als de patiënt je dan voor terrorist uitmaakt, sterkt dit niet de geestdrift extra medicijnen te zoeken. Er werd voor 89 miljard noodliquiditeit aan het land verstrekt; die zijn intussen verdwenen naar buitenlandse rekeningen of onder Griekse matrassen. Bij een bankenfailliet gaan mogelijk ook tegoeden van kleine spaarders eraan. Draaien de centrale bankiers van de eurolanden – vanmiddag vergaderen ze telefonisch – de geldkraan open of houden ze hem dicht? Een enorme vraag, die niet in Frankfurt thuishoort.

Als het geld niet van de ECB komt, moet het van de crediteuren komen, dus de Europese regeringen. Hier kwam een belangrijk signaal gisteravond uit Berlijn. Vicekanselier Sigmar Gabriel (SPD): „Met het afwijzen van de spelregels van de eurozone, zoals die in de meerderheid voor het nee tot uitdrukking komt, zijn onderhandelingen over miljarden aan hulppakketten nauwelijks voorstelbaar.” De stellingen zijn verhard, de impasse is groter dan voorheen. Een Grexit komt dichterbij.

Regeringsleiders hebben sinds januari de bal steeds teruggelegd bij ministers en experts onder het motto: wij doen geen details. Maar na de referendumdreun zijn er geen details meer. Het gaat nu om de toekomst van de muntunie. Op verzoek van Merkel en Hollande, die elkaar vandaag in Parijs treffen, riep Donald Tusk voor morgen een top uit van de 19 regeringsleiders van de eurozone. Het publiek vraagt om richting en greep op de zaak. De politiek kan niet langer schuilen achter de ECB. De zware beslissing over het Griekse eurolidmaatschap moet actief worden genomen, niet aan toeval of Graccident overgelaten. Welke uitkomst ook, het zal overtuigingswerk vergen – richting de eigen kiezers, de markten en de rest van de wereld – om het vertrouwen in de euro te herstellen.

Dilemma’s te over. Voor de eurozone als geheel betekent Grexit het einde van de ‘onomkeerbaarheid’ van de keuze voor de munt en dus een verlies aan geloofwaardigheid, met onvoorspelbare economische en politieke gevolgen. Maar omgekeerd is een eurozone mét Griekenland, dat sinds toetreding regels overtrad en nog jaren aan het infuus zal liggen, evenmin perfect vertrouwenwekkend. Een eurozone à 18 is mogelijk sterker. Een Grieks vertrek uit de euro vergt bijstelling van het Europese éénrichtingsdenken (‘ever closer union’) en verandert de symbolische verhouding tussen ‘muntunie’ en ‘marktunie’: beide betekenisvol vanwege het aankomende Britse referendum.

Voor de Griekse bevolking zou een Grexit op korte termijn groot welvaartsverlies betekenen. Het land zou zijn identiteit als moderne Europese staat moeten aanpassen en terechtkomen in een buitenring van de Europese Unie – met bijvoorbeeld Bulgarije, Roemenië en ook niet-euro-lid Groot-Brittannië. We zouden beleefd zeggen dat dit ‘tijdelijk’ is. Griekenland moet hoe dan ook wel lid blijven van de Europese Unie als geheel. Dat vergt juridische creativiteit, maar is politiek en geostrategisch noodzakelijk. De euro houden is ook pijnlijk, want vereist hervormingen en bezuinigingen, ook na een nieuwe schuldkwijting.

Tien jaar geleden, na het referendum van 2005, heeft de Nederlandse bevolking in bitterheid ervaren dat zelfs een massieve nee-stem tegen een Europees verdrag niet meteen het einde ervan betekent. We zitten nu eenmaal in een club met andere leden, waarvan de regels gezamenlijk eigendom zijn. In een economisch en politiek veel dramatischere situatie, met een tikkende klok, gaan de Grieken dit nu ook ontdekken.