Column

Een curieus document op een ronduit gek moment

Alle acties en reacties van politieke leiders op de Griekenlandcrisis lijken deze week ad hoc en paniekerig, vindt Floor Rusman. Hoe beslist een politicus bij twijfel?

Het lezen van liveblogs over de Griekenland-crisis werd vorige week een verslaving voor mij, maar geen prettige. Alle acties en reacties van politieke leiders leken ad hoc en paniekerig. Ik had het gevoel dat ik naar repetities voor een toneelstuk keek, de dag voor de première, terwijl de acteurs hun rol nog niet goed hadden geoefend.

Milan Kundera gebruikt in De ondraaglijke lichtheid van het bestaan een vergelijkbare metafoor. De hoofdpersoon vraagt zich af of hij moet kiezen voor de vrouw die hij net heeft ontmoet, maar hij weet niet waarop hij deze keuze moet baseren. ‘Er bestaat geen mogelijkheid om na te gaan welke beslissing beter is, want er is geen vergelijking. Wij maken alles zomaar voor het eerst en onvoorbereid mee, net als een acteur die voor de vuist een stuk speelt.’

Dat geldt net zo goed voor politici. Zij weten in veel gevallen niet welke beslissing de juiste is, zeker wanneer het gaat om een experiment als de Europese Unie.

Een mooie illustratie hiervan las ik laatst in de Herinneringen van de Franse filosoof en politicus Alexis de Tocqueville, die rond de revolutie van 1848 volksvertegenwoordiger en minister was. Hij schreef dat hij tot wanhoop gedreven werd door ‘de twijfel waarin ik constant gedwongen was te leven over wat elke dag opnieuw het beste was om te doen. (…) Waar lag de waarheid? Waar de onwaarheid? Aan welke kant stonden de verkeerden? Aan welke kant de goeden?’

Politici kunnen het zich niet veroorloven een dergelijke onzekerheid te tonen, schreef politiek redacteur Derk Stokmans vorig weekend in deze krant. Goed, dat snap ik ook wel. Een politicus die zegt dat hij op hoop van zegen maar wat uitprobeert zal weinig vertrouwen krijgen.

Maar een zelfverzekerde houding kan ook doorslaan. Twee weken geleden publiceerden vijf EU-leiders (Juncker, Tusk, Dijsselbloem, Draghi en Schulz) een rapport over de nabije toekomst van Europa’s Economische en Monetaire Unie. In de komende tien jaar moet de eurozone verder integreren tot een economische, financiële en begrotingsunie. Dit betekent dat ‘de soevereiniteit in sterkere mate wordt gedeeld met gemeenschappelijke instellingen’, aldus het rapport. Over de weldadige werking hiervan lijken de Vijf geen twijfel te hebben: een ‘volwaardige EMU’ is ‘een middel om alle burgers een beter en rechtvaardiger leven te bieden (…) en om elk van de lidstaten in staat te stellen te gedijen.’

Het is een curieus document op een ronduit gek moment. Overal in Europa komen mensen in opstand tegen het democratische tekort van de Europese Unie, en vijf EU-leiders denken dat verdere soevereiniteitsoverdracht de oplossing is. Zouden ze hier echt in geloven? Of schuiven ze hun twijfels terzijde omdat ze menen dat er daadkracht nodig is? Ik weet niet welk idee ik enger vind.