‘Vrouwen kunnen wel schaken’

Vrouwen missen intuïtie en daarom kunnen ze niet schaken. Die les kreeg Marian Donner van haar vader, schaakgrootmeester Hein Donner. Tijdens het NK Schaken dient ze hem postuum van repliek.

Vrouwen kunnen niet schaken. Klinkt dat seksistisch? Dan heeft u nog niet gehoord wat schaakgrootmeester Hein Donner (1927-1988) nog meer zegt over vrouwen. In 1972 schreef hij in dagblad Het Parool dat vrouwen ook niet kunnen schilderen of filosoferen, en dat er eigenlijk nooit iets door een vrouw gemaakt of bedacht is dat „de moeite van het kennismaken waard is”. Aan het schaken lag het niet, wilde hij maar zeggen. Zijn jongste dochter dient hem nu, postuum, van repliek. Marian Donner (41) sluit volgende week zondag het NK Schaken af met een lezing waarin ze haar vaders stelling logenstraft.

Gemakshalve spreken we af in het Manor Hotel in Amsterdam, de locatie waar vanaf vandaag het schaaktoernooi wordt gehouden. Ze heeft sowieso niet zoveel met restaurants, zegt ze van tevoren. Des te meer met cafés, maar die mijdt ze op het moment, want ze is vijf maanden zwanger van haar eerste kind. Haar buik valt nauwelijks op onder haar wijdvallende T-shirt. Ze bestelt een jus d’orange. Zo vermoeiend, zegt ze, zo nuchter en helder als ze nu noodgedwongen is. Zelfs haar werk lijkt eronder te lijden. Haar derde roman zou dit jaar verschijnen, maar door de nieuwe nuchterheid zit er in het schrijven niet zo veel schot.

Marian Donner is afgestudeerd als psycholoog (op liefde en hartstocht), had een korte carrière in het campagneteam van de PvdA, deed kortstondig aan ontwikkelingswerk, maar koos voor het schrijverschap. Net als haar vader. Die was beroepsschaker, bohémien, kettingroker (drie pakjes per dag), drinker (1 fles rum per dag) en schreef daarnaast columns en opiniestukken (ook voor NRC Handelsblad) en af en toe een boek. „Zijn enige vaste baan, bij een computerbedrijf, was hij in no time weer kwijt.” Weekblad Elsevier bedankte voor zijn stukken toen hij de prijs die hij op een groot schaaktoernooi won aan de Vietcong gaf, in de hoop dat ze er geen medicijnen maar wapens van zouden kopen.

Marian Donner schrijft ook columns, opiniestukken en boeken, en om in haar levensonderhoud te voorzien werkt ze parttime als telefoniste bij een escortbureau. In 2011 schreef ze een boek over die wereld, Lily. Ja, ze werkt er nog steeds. En nee, ze wil het er nu niet over hebben. „Mensen vinden het zulk interessant werk, dat het gesprek dan alleen nog maar daarover gaat.” Ze wil wel benadrukken dat het om een exclusief bureau gaat, waar meisjes uitsluitend legaal en uit vrije wil werken.

Herdersmatje

Nou vooruit, dan maar over naar het antwoord dat iedereen van haar wil horen: ja of nee? Kan ze schaken? Ja, zegt ze, ze kan het. Niet te vroeg juichen nu, want ze bedoelt: „Ik ken de regels.” Geleerd van haar vader? Ze schudt van nee. „Ik weet niet of dat was omdat hij dacht dat ik het toch niet zou kunnen. Hij zei altijd: één schaker in huis is genoeg.” Ze heeft het zichzelf geleerd, op haar vijftiende. Even snel rekenen, zij is geboren in 1974, haar vader overleed in 1988, dus hij was er niet meer toen zij de schaker in huis werd. Ja, knikt ze. „Ik was vrij laat. Net als hij, trouwens. Hij leerde het zichzelf op z’n veertiende. Ik heb hetzelfde boekje gebruikt als hij destijds. Oom Jan leert zijn neefje schaken van Max Euwe.” Max Euwe, Nederlands schaakgrootmeester en wereldkampioen van 1935 tot 1937. „Mijn vader was hem op een vakantie tegengekomen en bevangen geraakt door het spel.” In 1950 versloeg Donner Euwe. Voor het eerst in jaren was Euwe eens een keer niet Nederlands kampioen.

Mooi, ze kan dus schaken. Daarmee is zij het levende bewijs van de onjuistheid van haar vaders stelling. Toch? In haar blik valt te lezen dat het iets genuanceerder ligt. „Toen ik me de spelregels eigen had gemaakt, begon ik tegen de computer te schaken. Ik werd afgemaakt. Met een herdersmatje. De allersnelste manier om te verliezen.” Voor de liefhebber: een herdersmat (met een loper op het veld c4 en een dame op het veld f7) kan al na vier zetten optreden. „Daarna verloor ik nog een paar keer. En toen vond ik het wel weer leuk geweest. Dus kan ik schaken? Nee, zeker niet.”

De vraag of vrouwen wel of niet kunnen schaken is onzinnig, zegt zij. „Natuurlijk kunnen vrouwen wel schaken. Of beter gezegd: sommige vrouwen.” Zij noemt het een statistische kwestie: „Weinig vrouwen schaken, dus komen er ook weinig toptalenten bovendrijven. Net zoals iemand in Kenia niet snel zal ontdekken dat hij goed kan schaatsen.” Het is zeker geen biologisch verschil, zoals de Engelse schaakgrootmeester Nigel Short onlangs stelde: „Vrouwen hebben geen killersinstinct en kunnen niet inparkeren, dat komt door hun genen. Ze moeten zich er maar bij neerleggen dat ze ook niet kunnen schaken.”

Zo sáái, die Nigel Short, zegt Marian Donner. „Zulke cliché argumenten. Als je mensen wil beledigen, doe het dan zoals mijn vader deed en maak er entertainment van.” Zij vindt de uitleg van haar vader veel leuker. „Hij vond vrouwen in veel dingen beter dan mannen. Slimmer, geduldiger. Beter in logisch nadenken, een beter geheugen, meer doorzettingsvermogen. Hij zei altijd: ‘Iedereen die wel eens ruzie maakt met een vrouw, weet hoe vasthoudend ze kan zijn’.” Maar volgens hem ontbrak het vrouwen aan intuïtie. „Het gevoel van: ik moet dit nu doen, ook al weet ik niet waarom.”

Die verklaring hangt samen met zijn wereldbeeld, zegt zij. „In zijn ogen is de man de gevoelige, de romanticus. De vrouw vertegenwoordigt de ratio, de verstandelijkheid. Schaken is een strijd, vond hij, en wie anders dan een romanticus is bereid ten oorlog te trekken?” Hein Donner schaakte op gevoel. „Hij maakte daardoor ook vreselijke blunders. Openingszetten bestuderen, daar deed hij niet aan. Het beste was hij in het eindspel, als hij dat al haalde. Als het veld open lag en hij een heroïsche strijd kon leveren.”

Romantische tijden

Haar vinger glijdt over de menukaart. „Geen zalm... geen geitenkaas... geen rauw vlees... wat mag ik wél eten?” Het wordt een broodje met mozzarella. Ze lacht. Haar vader, met al zijn seksisme, leidde een roldoorbrekend leven. „Mijn moeder werkte, zij verdiende het geld.” Ze was rechter en later raadsheer. Voor hem was het zijn tweede huwelijk, uit zijn eerste had hij een zoon en een dochter. „Ik werd voor zijn lol geboren. Hij bleef met mij thuis, en dan gingen we samen langs mijn moeders werk om te zwaaien. Hij kocht kaartjes voor de film. Annie . En dan mocht ik thuis, staand op een stoel, aan iedereen vertellen wat ik goed en slecht vond aan de film. Zo leer je wel zelfstandig nadenken.”

Wat in Hein Donners voordeel spreekt, is dat er in zijn tijd nog geen goede vrouwelijke schakers waren. In 1978 verkreeg de eerste vrouw, een Georgische, een grootmeestertitel. Maar zij speelde in de vrouwencompetitie. De Hongaarse schaakster Judit Polgar werd in 1991 de eerste, échte grootmeester volgens mannenreglementen. „Zij en haar twee zusjes hebben schaken geleerd van hun vader. Die vond: geniën worden gemaakt, niet geboren. Waarop mijn vader ongetwijfeld gezegd zou hebben dat ze dus kennelijk wel gemaakt worden door een man.”

Op het NK Schaken spelen volgende week acht vrouwen. „Maar ze spelen in een aparte vrouwencompetitie. Een soort Paralympics dus.”

Hij was zo’n lieve vader, zegt ze. Lijkt ze op hem? „Ja.” Maar ze heeft niet zijn aanleg voor schaken. „Misschien als ik meer had geoefend. Ik ben goed in wiskunde, dol op spelletjes, goed in sporten.” O ja, dat was ook zo, schaken is een sport. Al zijn er mensen die vinden dat schaken thuishoort op de kunst- en niet op de sportpagina’s van de krant. Het NK Schaken heeft ook een cultureel programma. Acteur Porgy Franssen speelt een monoloog gebaseerd op de Schachnovelle van Stefan Zweig. Schaker Genna Sosonko (een tot Nederlander genaturaliseerde Rus) vertelt over de betekenis van schrijver Fjodor Dostojevski voor de Rus, de wereld en voor de schaker. En Marian Donner komt dus over haar vader, vrouwen en schaken spreken.

Ze was negen toen hij een hersenbloeding kreeg. Om zijn gezin niet tot last te zijn, liet hij zich opnemen in verpleeghuis De Vreugdehof. Vijf jaar later, op z’n 61ste, overleed hij aan een maagbloeding. Wel jong, zeg ik. Ja, zegt zij. Al die drank en sigaretten, wat moest hij ermee bedwingen? Ze maakt een wegwerpgebaar. „Mensen denken dat altijd. Dat als iemand iets heel graag doet....” Ze begint nog een keer opnieuw: „Niet alle overdaad is een verslaving of een poging iets te dempen.” Een verslaving hoeft niet problematisch te zijn, bedoelt ze dat? „Ja. Bij drinken hoort een levensstijl. Van ontmoetingen in de kroeg. Van rafelrandjes en schaduwwerelden. Een sigaret delen met een vreemde op de stoep.” Natuurlijk, haar vader heeft zich willen afzetten tegen zijn familie. Zijn vader was jurist en minister. Zijn broer André was staatsrechtgeleerde, diens zoon Piet Hein Donner is de huidige vicepresident van de Raad van State en een volle neef van Marian Donner. „De Donners zijn gelovig, koningsgezind. Nee, dat was mijn vader allemaal niet.”

Hein Donner trok liever ten strijde met een volle asbak op tafel. „Zo kon je toen nog leven. Die romantische tijden bestaan niet meer. We hebben het te druk om vrij te leven.” Geen vrijer beroep dan dat van schaker. „Hij moest wel trainen, maar dat kon hij gewoon thuis doen, in zijn studeerkamer. Soms, als ik ’s nachts niet kon slapen, ging ik naar zijn kamer toe. Blauw van de rook. Ging ik daar op de bank verder slapen. Geborgener en veiliger kon ik me niet voelen.”

Hij oefende altijd tegen zichzelf. „Schaakcomputers noemde hij rekenmachines. Net een vrouw. Er zit wel logica in, maar geen gevoel en intuïtie.”