Uren, dagen, maanden, jaren

Pieter Steinz heeft ALS, een zeldzame neurologische ziekte waarbij je in toenemend tempo verlamd raakt. In deze serie verbindt hij het verloop van zijn ziekte met de boeken die hij (her)leest. Vandaag: tijd.

Illustratie Hajo Illustratie Hajo

We kwamen te spreken over de tijd – of die langzaam ging of juist snel. Mijn vrouw merkte op dat de afgelopen twee jaar, na de diagnose, voorbij waren gevlogen; tegelijkertijd kon ze zich niet voorstellen dat we minder dan tien maanden geleden voor het laatst met vakantie waren gegaan: „Dat lijkt jaren terug.”

Zelf heb ik ook dubbele gevoelens. Je zou denken dat de dagen voortsnellen wanneer je er nog maar weinig in het vooruitzicht hebt, zoals in ‘The September Song’ van Kurt Weill. Maar zo voelt het niet, en ik kan in ieder geval niet zeggen dat ik me ernaar gedraag. Een deel van mijn actieve uren besteed ik aan onbenulligheden in het licht van de eeuwigheid: tweets lezen, sudoku’s invullen, onzinnige programma’s kijken (Bed & Breakfast was de nieuwste aanwinst; een psychologisch experiment met hilarische uitkomsten). En dat terwijl er nog brieven moeten worden gesorteerd en vernietigd, archiefmateriaal uitgezocht, klassieken gelezen, stukken geschreven.

De dagen gaan langzaam en toch vliegt de tijd voorbij.

Alweer vier maanden geleden dat mijn laatste boek uitkwam? Een jaar dat ik op de intensive care lag wegens mislukte maagoperaties? Anderhalf jaar dat ik nog parttime werkte? Zesentwintig maanden dat ik zonder problemen een marathon liep? Het lijkt gisteren en ook heel lang geleden.

In Leven en lot, de Russisch-dikke oorlogsroman van Vasili Grossman die ik al een tijdje aan het lezen ben, wordt dat ‘de sensatie van duur en kortstondigheid tegelijk’ genoemd. Grossman merkt op dat een gevangene ondraaglijk lange dagen doormaakt; maar als hij er na 25 jaar op terugkijkt, blijkt dat ‘in de grauwe eentonigheid van de opeenvolgende maanden en jaren de tijd ingekrompen, verschrompeld [is]’ (vert. Froukje Slofstra).

Het omgekeerde kan ook: als je je dagen helemaal volstopt, zul je het gevoel hebben dat de tijd snel voorbijgaat; maar als je er dan later op terugkijkt, resteert de indruk ‘van een lange tijdspanne, die de volle vreugde van het menselijk leven bevatte’. Althans volgens Grossman.

Het doet denken aan de theorie van het ‘leven in de breedte’ die de Nijmeegse student Albert Egberts ontvouwt in Vallende ouders, het eerste deel van de ‘Tandeloze Tijd’-cyclus van A.F.Th. van der Heijden. De passage maakte diepe indruk op me toen ik hem voor het eerst las, als twintigjarige student, al moet ik toegeven dat ik de portee niet helemaal begreep – misschien ook omdat Albert bij het spuien van zijn credo verre van nuchter was.

‘„Er is een manier, Thjum”’, zegt Albert tegen zijn boezemvriend, ‘„een truc om tijd te winnen… oneindig veel tijd te winnen en te ontginnen […] Aangezien het leven zich nietsontziend in de lengte ontrolt, moet je proberen het zo breed mogelijk te maken… moet je proberen het in de breedte te laten uitdijen…” Waarna hij het voorbeeld geeft van een minuut waarin je tegelijkertijd een strijkkwintet van Mozart door je heen laat trekken, én een seksuele fantasie oproept, én je een gebeurtenis uit je jeugd herinnert, én een traumatische ervaring herbeleeft. ‘„De menselijke geest is een eindeloos opvouwbaar leporelloboek. […] Alles wat hij aan beelden, gedachten, herinneringen in zich draagt kan hij gelijktijdig produceren en reproduceren”.’

Leven in de breedte, het leek me wel wat. Maar dan niet alleen in gedachten, ook in de praktijk. En dus nam ik een tweede studie, zorgde ik dat geen minuut van de dag ongebruikt bleef en deed ik zoveel mogelijk aan multitasken, voordat het woord bestond: een boek lezen tijdens het wachten op bus en tram, muziek (en later boeken) luisteren tijdens het hardlopen, diepe gesprekken voeren bij het eten, zoveel mogelijk zien tijdens vakanties. Ik probeerde zelfs mijn slaapbehoefte van acht naar zes uur te brengen, maar dat plan liet ik varen toen ik na twee maanden experimenteren in een depressie terechtkwam. Liefde, kinderen, werk, boeken schrijven, sport, cultuur – het hoorde allemaal bij het brede leven, dat ik volhield tot ik ziek werd. Het vermorsen van uren, waar Albert zo op moppert (en waar hij ironisch genoeg een ster in is), kwam in mijn balboekje niet voor.

De afgelopen jaren is me meer dan eens gevraagd of ik niet vind dat mijn leven te kort is geweest. Objectief is dat waar, ik heb altijd gedacht dat ik negentig zou worden, en dus kom ik straks een jaar of veertig tekort. Maar het voelt niet zo. Het lijkt zo verschrikkelijk lang geleden dat ik een jongetje was in Rotterdam, een scholier in Den Bosch, een student in Amsterdam. En ik heb zo veel gedaan in de vijftig jaar die me wél gegeven zijn; mede dankzij Van der Heijdens Albert en mijn eigen invulling van het leven in de breedte.

En dan moet de dood nog komen. Volgens Albert moet die een hoogtepunt zijn: ‘„Iemand die echt het laatste ogenblik ingaat, ziet zijn leven oneindig ver in de breedte uitdijen. […] Hij leeft eeuwig voort in zijn laatste ondeelbare moment…! […] Goed, je laat een lijk achter: het lichaam, dat dit alles niet meer heeft kunnen bijbenen. Geen hiernamaals, maar hiernumaals…”’

Een mooi vooruitzicht. Toch zou ik liegen als ik schreef dat ik bijna niet kan wachten.