Plastic! Een ongelooflijk product!

Werk was er wel na de oorlog, maar de lonen waren laag. Een volhardende Zeeuw met een oog voor het potentieel van plastic werd rijk. Carola Houtekamer over haar grootouders.

Pieternella Hovestadt maakt een plastic stortbak,

Een Jaguar. Een glanzende Jaguar met zachtlederen bekleding. Adriaan Hovestadt uit Yerseke had er al heel lang naar verlangd. Het paste natuurlijk niet, zo’n exorbitante aankoop. Zo kwistig en bovenmatig in dat kale Zeeland, waar hard werken geen deugd is, maar een gebod.

Hij hád er hard voor gewerkt. Standaard twee nachten in de week doorwerken tot de dokter zei: bij mij hoef je niet aan te kloppen als je ziek wordt – zo hard. Maar door dat jarenlange ploeteren zwierde hij nu wel over de dijken in een Jaguar. Cassettebandje met psalmgezang in de speler – want werkt én bidt – en de voet op het gaspedaal. „Hoe langzamer hij zong”, zegt Pieternella, die in 1995 zijn weduwe werd, „hoe harder hij reed”. Ze heeft de Jaguar bijna twintig jaar ongebruikt in de garage laten staan.

Vlak na de oorlog, in 1946, trouwde de 24-jarige Adriaan zijn Pieternella en begon een bedrijfje in Yerseke. Net zoals het land waarin hij woonde, had hij niets.

Toen Nederland het jaar ervoor voorzichtig de eerste schade had opgenomen, had het een „totale ontwrichting” van de industrie gezien, zegt historicus Herman de Liagre Böhl, auteur van Nederland industrialiseert! uit 1981 over het naoorlogse industrialisatiebeleid. Verwoeste fabrieken, defecte machines, kapotte wegen en sporen. Er was nauwelijks steenkool, er waren geen grondstoffen. De eerste sombere ramingen lieten zien dat de industriële productiecapaciteit bijna was gehalveerd – al bleek dat later aan de hoge kant. Duitsland was verdwenen als handelspartner en aan alles was gebrek.

Die toestand vroeg om drastische overheidsmaatregelen. De snel groeiende beroepsbevolking moest met lage lonen en een exportverbod aan werk en spullen worden geholpen.

Adriaan sprong in elk gat dat hij tegenkwam. Hij fabriceerde boilers, strijkijzers, duivenringtangen, oestermessen, kreeftenvorkjes, sportbekers. Op het gasstel in huis verwarmde Pieternella koperen platen die Adriaan omboog tot oliebakken voor vergassers. Uit Brussel waar hij zaken deed nam hij een ceintuur mee voor zijn vrouw: het allereerste plastic in huis.

Adriaan was vindingrijk. Vorken en tangen werden al gauw fotocontactkasten en lichtdrukmachines. Pieternella: „Als hij iets zag, kon hij het maken”. Maar als een product eenmaal liep, verloor hij ook zijn interesse. Tot winstgevende productielijnen kwam hij niet en de kinderen arriveerden voor het geld.

De overheidsmaatregelen hadden wel effect. De productie steeg, er kwamen spullen in omloop. In 1948 lanceerde minister Jan van den Brink bovendien zijn industrialisatienota: meer export, nijverheidsonderwijs en belastingvoordelen en premies voor fabrieken. En er kwam ook nog anderhalf miljard gulden aan Marshallhulp. De economie groeide keihard.

Van die goudgerande jaren vijftig merkte het jonge gezin Hovestadt weinig. Ja, werk was er volop, maar waar bleef het geld? Veel gezinnen kreunden onder het strenge loonbeleid dat gehandhaafd bleef. Böhl: „De uitbuitingsgraad was hoog.”

Door Pieternella’s herinneringen spoken nog steeds schuldeisers, wanbetalende klanten en belastingambtenaren. „Orders kwamen niet door of machines liepen niet. Dan was er geen geld.” Ook niet om te investeren. „Dan kregen we een grote order van de V&D voor rokmeters, hadden we er geen tijd voor.” Niet de juiste machines, niet genoeg mankracht.

De wanhoop, die weet ze ook nog. „Ik moest heel wat op mijn knieën liggen.” Er is altijd eten geweest, zegt ze. „Maar soms zei ik tegen de kinderen: nou, vanavond heb ik niet zo’n zin in eten. Dan was er toch weer een boterham uitgespaard.”

De economie stoomde intussen door. In het westen was personeel tekort, in de steden stonk het van fabriekjes en smederijen. Maar van afkoeling door loonstijging was geen sprake, de overheid hield stug vast aan lage salarissen. Toch werd er in de jaren vijftig nauwelijks gestaakt, zegt Böhl. „In ruil voor lage lonen kregen we de verzorgingsstaat. Ziektekosten, arbeidspensioenen, invaliditeitspremies. Iedereen ging vreedzaam aan de slag. Beter een laag loon dan geen werk.”

Het was in die jaren dat Adriaan het plastic ontdekte. Plastic! Een ongelooflijk product! Je verwarmde de folie, zoog het vacüum, en hup, je had een unieke vorm. Pieternella: „Als je je gedachten liet gaan, kon je maken wat je wilde.”

En Adriaan liet zijn gedachten gaan. Jerrycans. Bustes voor etalages. Reclameborden. Kilometers golfplaat. Reddingsboeien, tomatenbakjes. Pieternella moest koelkastdeuren voor ziekenhuizen maken, Rijkswaterstaat plaatste door heel Nederland zijn reflectorpaaltjes. Maar veel van zijn vondsten vonden geen klant. Nederland werd rijker, Adriaan niet.

Tot de voorspoed ineens toesloeg. Toen de industrie na een loonexplosie in de jaren zestig inzakte, bleek plastic de juiste gok. Beetje bij beetje bouwde Adriaan zijn fabriek uit. Die deed inmiddels in producten en machines: als de ene tak minder ging, ving de andere tak het op.

Al gauw had Adriaan 18 man in ploegendienst, 10 man in de machinebouw en een verkoper. Hij bouwde een groot huis – wat achteraf bekeken toch wel een beetje karig was uitgevoerd – en kocht zijn Jaguar.

Adriaan geloofde: bid én werk én vier het leven. In de kofferbak lag steevast een reistasje met twee tandenborstels, een pyjama en een nachtjapon. Je wist immers nooit waar de rit kon eindigen.