Column

Een opvang voor dreumesjes

Omdat we binnenkort een kind kregen, gingen de vriendin en ik kijken bij de kinderopvang een paar honderd meter verderop. De onderneemster die er de baas was sprak een eigen ‘taaltje’, ze gebruikte graag heel veel woordjes om de dingen uit te leggen en dan het liefst verkleinwoordjes.

Dat begon al bij binnenkomst toen we met het groepje stil hielden bij de fotomuur, waarop foto’s van alle ingeschreven baby’s, dreumesjes en peutertjes hingen. Ze wees naar alle foto’s en zei de naam van het kindje.

Daarna zei dat ze het leuk vond dat ze meerdere belangstellenden tegelijkertijd kon rondleiden.

„Dan ben je namelijk met een groepje en het fijne van een groepje is dat er altijd wel iemand tussenzit die een vraag stelt waar je zelf niet op was gekomen.”

Dat klopte.

Er werden heel veel vragen gesteld waar ik zelf niet op was gekomen. Zoals: „Hoe denken jullie over hazenslaapjes?”

Antwoord: „Wij zijn geen fan van hazenslaapjes. Ons beleid is dat we streven naar regelmaat en structuur.”

Wat ik grappig vond was dat alle vrouwen in ons groepje, de onderneemster had het ook nog nooit meegemaakt, ‘Eva’ heetten. Toen we in een ruimte kwamen waar baby’s en leidsters op een kleed door elkaar kropen en een van die meisjes zich voorstelde als Eva, werd de situatie onbedoeld komisch.

Voor de rest werd er weinig gelachen want de kinderopvang is een serieuze zaak. Over het ‘boterhammomentje’ – iedere dag om precies half elf – werd met een ernstig gezicht gezegd dat het weliswaar boterhammomentje heette, maar dat het eigenlijk een ‘volkoren-cracker-momentje’ was omdat volkoren crackertjes veel gezonder waren dan boterhammetjes.

We keken naar meisjes die liedjes zongen voor ‘de dreumesjes’ en ondertussen jam op crackertjes smeerden.

„Smakelijk eten, smakelijk eten, hoei…”

Het liefst ging je meteen door naar de volgende ruimte, maar dat mocht niet omdat er in ieder hoekje wel een verhaaltje te vertellen viel. Kijk, daar stonden de mandjes!

Ieder kindje had een eigen mandje waarin het de eigen spulletjes kon stoppen, bijvoorbeeld het favoriete knuffeltje, en verder waren er nog hygiënische wc’tjes en er was ook nog een keukentje waar een meisje met een beperking maaltijden kookte. Je zag aan de gezichten van de meeste Eva’s dat dit een puntje van zorg was, maar de onderneemster stelde iedereen gerust met de mededeling dat het hier een heel lief meisje met een beperking betrof, eentje bovendien aan wie je het niet merkte en die heel goed biologisch kon koken.

„Af en toe pakt ze een kindje op, maar altijd onder toezicht.”

We trokken de conclusie dat het hier om een medewerkster met een beperkinkje ging.