Jonge juffers determineren Geen wifi, wél stinkwantsen

Veertig lawaaierige jongeren, één gettoblaster, nul smartphones. De zomerkampen van de Jeugdbond voor Natuur- en Milieustudie zijn al 72 jaar koppig onmodern.

Foto Merlijn Doomernik

Ik zal u niet vertellen waar het is, wel hoe u er kunt komen. De deur achter u dichttrekken, daar begint het mee. En hopen, nee, gelóven dat het met alles wat u daarbinnen achterlaat op de een of andere manier wel goed zal komen. Dan twee uur lang reizen met de tram, de metro en de bus. Langs flatgebouwen, kantoren, hijskranen en rokende fabrieken, windmolens en elektriciteitspalen, over snelwegen met toerende auto’s tussen mensen die net zo ongelukkig kijken als u. Totdat, plotseling: een wonder! De lucht! En daaronder weilanden met koeien en schapen. Vanaf daar gaat u verder te voet. Steeds dieper een bos in, tot u niets meer hoort behalve het ruisen van de wind. Langs water, een heuvel af, over een brug, en als u dan twee keer afslaat naar rechts, dan bent u er.

Het zomerkamp van de JNM, de Jeugdbond voor Natuur- en Milieustudie, of zoals die bond zichzelf liever noemt ‘jongeren in de natuur’: een veldje naast een meertje met daarop een stuk of twintig tenten, veertig lawaaierige jongeren en één gettoblaster waaruit keiharde Eurodance knalt. Een doodnormale jongerencamping, denkt u even. Maar dat komt doordat u niet goed determineert.

Want kijk: geen van deze jongeren heeft een smartphone. Smartphones zijn hier verboden. En luister, ze gebruiken vreemde woorden. Woorden als ‘lampvissen’ ‘beerputten’ en ‘nachtvlinderen’. En als u naar binnenstapt bij de grote bruine tent, rechtsachter op het veld, dan vindt u schatten: drie antieke kisten gevuld met vlindernetten, glazen potjes, verrekijkers en prachtige boekjes die een naam geven aan alles wat u buiten zou kunnen tegenkomen: tengere grasjuffers, platbuiklibellen, roodborstjes, sabelsprinkhanen, baarsen, groenestinkwantsen en ga zo maar door. Want geen enkele vlieg is zomaar een vlieg, geen enkele vis zomaar een vis en geen enkele vogel zomaar een vogel. Niet als je goed kijkt. Dat is wat de jongeren hier doen: de wonderlijke wereld om ons heen bestuderen en determineren, vijf dagen lang. Ter land, ter zee en in de lucht. Overdag met vlindernetten en verrekijkers, ’s avonds met zaklampen.

Het eerste Nederlandse zomerkamp werd georganiseerd in 1911, door de YMCA. Een organisatie die in Engeland was ontstaan, nadat ene George Williams van het platteland naar Londen verhuisde. Die eerste zomerkampen waren bedoeld als een soort tegengif tegen de moderne tijd, een manier om jonge mannen die leefden onder de rook van de fabrieken geestelijk en lichamelijk gezond te houden door ze eens per jaar iets mee te geven van de universele wetten van de natuur.

In 2014 zijn er tientallen organisaties die zomerkampen in Nederland organiseren, voor jongens én voor meisjes, en steeds meer Nederlandse kinderen maken daar gebruik van. Veel van die zomerkampen hebben zich aangepast aan de moderne tijd. Een girlzzz only glamourkamp, een vliegtuigkamp, een pretparkkamp, of een kamp waar uw kind twee weken lang achter de computer mag zitten? Zoek en gij zult vinden: niets is te gek! Voor elk modern kind is er wat wils. Maar de kampen van de JNM zijn (ondanks een naamverandering ) al 72 jaar lang koppig onmodern gebleven. De organisatie werd opgericht in 1943, beleefde zijn hoogtepunt in de jaren vijftig en is na een aantal moeilijke jaren weer langzaam aan het groeien. In 2014 heeft de JNM 394 leden. Hun kampen zijn goedkoop (60 euro voor 5 dagen). Met niets, alleen de natuur.

Dat u daar geen Eurodance bij had verwacht, dat deert niet. Want u bent een ouwe sok (ouder dan 25) en de kampen van de JNM zijn voor KC’ers en Koters. Koters, dat is hoe kinderen onder de veertien door KC’ers worden genoemd. En KC’ers, dat zijn leden van de kampcommissie, iedereen tussen de zestien en de vijfentwintig.

De meeste koters zijn hier omdat ze van hun ouders op een kamp moesten en hebben zelf voor dit kamp gekozen. De leden van de kampcommissie zijn zelf ooit een koter geweest en zijn daarna nooit meer weggegaan. In de loop der jaren hebben ze allemaal hun eigen specialiteitje ontwikkeld. Ze vertellen de koters erover tijdens de dagexcursies.

Zo is Jelte (16) een expert op het gebied van wolken. De cirrus vindt hij het mooist, die lijken op engelenhaar en waarschuwen de oplettende kijker dat er een weersverandering zit aan te komen. „Wolken zijn het meest eerlijke deel van de natuur”, zegt hij. „Je kunt ze altijd overal zien. Ook als dit kamp voorbij is, weer terug in de stad.” Juist als hij het druk heeft, vindt hij het fijn om soms even te stoppen en omhoog te kijken.

Rick (18) houdt van vissen. En van vogels. „Alle kinderen vinden de natuur leuk”, zegt hij, „totdat je het ineens niet meer leuk mag vinden omdat je cool moet zijn. Maar eigenlijk is het juist wel cool om de natuur leuk te vinden. De technologie verandert, maar de natuur blijft altijd hetzelfde. Alles wat je over de natuur leert kun je ook weer terugkoppelen naar jezelf. Het is allemaal een grote circle of life”.

Een dag en één nacht brengen we met elkaar door. We fietsten naar een strand waar je juffers kunt vinden, vangen libelles, sjoelen met yoghurt en komkommerschijfjes, spelen het verstopspel ‘tien tellen in de rimboe’, we vissen bij maanlicht, gaan op zoek naar nachtvlinders en worden om acht uur ’s ochtends onze tenten uit getrommeld voor ochtendgymnastiek. En dan gaan zij op excursie en moet ik weer terug.

Door het bos. Met de bus, de metro en de tram, langs de auto’s en fabrieken en de lelijke buitenwijken naar de deadlines, e-mails, rekeningen en ongelukkig kijkende mensen. Maar voor ik mijn sleutel in mijn voordeur steek, volg ik het advies op van Jelte: ik kijk omhoog.

‘Het gezien hebben!’ staat op het dak van mijn overburen geschreven. Het is de eerste keer dat deze ouwe sok dat ziet.