Griekenland is geen Balkanland, toch?

Griekenland

Grieken zijn gewend zich als Europeanen te beschouwen en niet als Balkanstaat. Toch dringt de vergelijking zich op.

Twee mannen in korte broeken zitten ’s avonds op stoelen voor een kleine buurtsuper in Pagrati, een wijk in het centrum van Athene. Ze prikken kaas van een bordje dat op een omgekeerde krat tussen hen in staat en drinken een glaasje wijn. In de deuropening leunt een vrouw. Een klant blijft hangen voor een praatje.

Ik loop er langs op weg naar een afspraak en neem me voor later op de avond terug te komen. Dit lijkt me een prachtig winkeltje om even rustig de stemming in Griekenland te peilen. De vriend waarmee ik heb afgesproken woont vlakbij. Hij kent de winkel en waarschuwt me. „Leuke mensen, maar het zijn Bulgaren, geen Grieken.”

Een week eerder had ik een lang gesprek met een Albanees. Hij was al ruim twintig jaar in Griekenland en had zijn naam vergriekst. Het gaat slecht in Griekenland, maar nog niet zo slecht dat hij van plan is terug te gaan. Een Bulgaarse vriendin die in Griekenland woont had – nog voor de banken sloten – haar zus op bezoek. Even genieten van comfortabel Griekenland, waar de producten in de winkels zo mooi en de mensen zo strijdbaar zijn, zei ze. Van de situatie in Bulgarije wordt ze maar moedeloos.

Vergelijking buurlanden is taboe

Griekenland ligt op de Balkan, maar het is taboe om het met de directe buurlanden te vergelijken. In gesprekken over Europa worden de voormalige communistische landen vrijwel nooit genoemd. Toen Griekenland in 1981 toetrad zaten die nog achter het IJzeren Gordijn. De Grieken keken over ze heen, naar Frankrijk en Duitsland.

Nu zit Bulgarije ook in de EU. En het is een publiek geheim dat Griekse bedrijven zich massaal in het buurland registreren, waar de belastingen en lonen veel lager zijn. Dat binnen de Eurogroep de Baltische Staten en Slowakije zo mogelijk nog strenger voor Griekenland zijn dan Duitsland, wordt zoveel mogelijk genegeerd. Die landen hebben ervaren hoe pijnlijk een transitie kan zijn en hebben dus weinig coulantie met de Grieken. De maatstaf is net als vroeger niet Slowakije, maar Duitsland of Italië.

„Wat is het laagste punt dat we kunnen bereiken”, vraagt cameraman Panos retorisch terwijl we op het eiland Kos een verhaal maken over de aangekondigde btw-verhoging. Ik zeg voorzichtig ‘Bulgarije’. „Nee. Dat is ónder het laagste punt.”

Ja, de Grieken horen bij de Europese Unie. Maar ze hadden zich er iets mooiers van voorgesteld. Niet een EU waarin – zoals premier Alexis Tsipras woensdagavond op de televisie zei – „het IMF het enige bindmiddel is”.

Europa hoort symbool te staan voor vooruitgang. Niet voor achteruitgang naar Bulgaars niveau.

Existentiële verwarring

Nu dat in de beleving van een groot deel van de bevolking wel zo is, leidt dat tot existentiële verwarring. Het regent metaforen. „Een huis waaraan je lang hebt gebouwd, maar waarvan de fundamenten niet goed zijn”, zegt Stavroula, een vijftiger met een eigen winkel die zondag ‘nee’ stemt in het referendum over het voorstel van de crediteuren, die van de Grieken hervormingen eisen. Ze verkoopt bijna niets. „Mensen geven alleen geld uit aan voedsel en medicijnen.”

Op Facebook gaat een plaatje rond waarop de ja- en nee-demonstranten worden vergeleken. In een gesplitst frame is voor ‘ja’ een foto gekozen van een man die zijn glas rode wijn meenam naar de demonstratie. Uit het zakje van zijn overhemd steekt een iPhone6. De andere helft van het beeld is voor een verarmde communist. „Natuurlijk ben je pro-Europa als je een miljoen op een Zwitserse bankrekening hebt”, sneert cameraman Panos, die het me laat zien. Europa is in de ogen van veel Grieken iets geworden waarvan alleen rijkeren profiteren.

De eigenaresse van het appartement dat ik voor een paar weken heb gehuurd twijfelt of ze ooit nog terugkomt met haar gezin. Als Griekenland teruggaat naar de drachme blijven we weg, sombert ze, een architect van eind dertig. „Doe de deuren goed op slot. Ik ben een beetje paranoia, met al dat contant geld dat iedereen heeft liggen.” Het gezin heeft ook een huis in Frankrijk.

Ze is al de derde in een week die tegen me zegt dat ze overweegt voorgoed te vertrekken. Het lijkt ex-Joegoslavië in de jaren negentig wel, denk ik terwijl ze praat. De denkende en vermogende elite pakt als eerste haar boeltje. De lager opgeleiden, ouderen en nationalisten blijven achter.

De voorbeelden van verarming, brengen me steeds terug naar elders op de Balkan. Zelf wc-rollen meenemen naar het ziekenhuis? Dat doen Roemenen en Serviërs ook.

Hoewel nog niet op Bulgaars niveau, zijn de lonen gedaald. Voor pensioenen geldt hetzelfde. Gepensioneerden brengen de zomer in hun geboortedorp door, waar je gemakkelijker zelf groenten kunt verbouwen. Bij berichten over gegoede Grieken, die doneren aan de politie zodat die benzine kan blijven kopen om patrouilles in hun buurt te rijden, denk ik aan Roemenië, waar de politie soms geen verbaal kon schrijven wegens papiertekort.

Kritiek en ook lofzang op Europa

Op Griekse pleinen, in de straten en in media, klinkt naast de teleurstelling nu ook een voortdurende lofzang op Europa. „Ik ben een trotse Griek. En een Europees burger,” zegt burgemeester van Athene Giorgos Kaminis. Hij heeft een academische carrière in het constitutioneel recht achter de rug, voor hij Ombudsman werd in Griekenland. Hij studeerde en woonde in Parijs, in Madrid, in Duitsland. „Ik aanbid Europa.”

Kaminis voert samen met zijn collega Yiannis Boutaris van Thessaloniki het ‘ja-kamp’ aan. Beiden zijn partijloos en pragmatisch. Daardoor genieten ze meer vertrouwen dan de meeste politici. Aan het begin van een gesprek met buitenlandse journalisten brengt Kaminis nog even in herinnering dat ‘het woord Europa in Griekenland voor het eerst is gebruikt.’

„Europa en het IMF hebben ook fouten gemaakt. Ze hielden geen rekening met de trots van mensen”, waarschuwt de burgemeester. Maar het leidt voor hem geen twijfel dat Griekenland binnen de eurozone en de EU moet willen blijven. „In de dertig jaar dat we lid zijn hebben we veel beter geleefd. We zijn een mediterraan, een Zuid-Europees land. Ik wil niet dat mijn mensen deel worden van Noord-Afrika. We moeten aan de toekomst van onze kinderen denken.”

Donderdagavond half negen schraapt Eleni Portaliou, een oudere lokale Syriza-vertegenwoordigster, haar keel. Tussen de twee perkjes op het pleintje staan witte plastic stoelen waarop zo’n twintig nee-stemmers plaatsnemen. Een vrouw in een batikjurk houdt een korte introductie. „We zijn niet met veel, maar we zijn sterk en vastberaden.”

De geluidstechnicus doet de schuiven ver open en Portaliou begint geroutineerd aan haar lange betoog voor een nee-stem.

Aan de andere kant van het groen staat een rij van zeker dertig mensen in de rij voor de geldautomaat van de Piraeus Bank. Ze werpen geërgerde blikken. Na een paar minuten begint een man te roepen: „Waarom leggen jullie geen eigen voorstel aan ons voor in dat referendum?” Veel mensen zijn boos over de vraag in het referendum. Ze moeten oordelen over een al weer ingetrokken aanbod van de crediteuren. Niet over een plan van Syriza met het land. Daarnaar moeten ze gissen. De roepende man wordt uitgenodigd bij de microfoon om in debat te gaan, maar dat kan hij niet doen zonder zijn plek in de rij kwijt te raken. Hij blijft kwaad staan en roept af en toe nog iets.

Een voorbijganger in pak ziet het kladblok in mijn hand en wil wat tegen me kwijt. Hij heet Dimitris Athanasopoulos (50). „Dit is Griekenland niet hoor,” zegt hij met een hoofdknik naar de mensen op de witte plastic stoelen die naar Portaliou luisteren. Hij komt nerveus over. „Dit is dat zootje waar we vanaf moeten zien te komen.”

Hij werkt voor een bedrijf dat computerhardware importeert en is al acht maanden niet betaald. Twee dagen geleden hielden alle leveranciers ermee op, Sony, Samsung, LG. „Het enige waar ik nu nog om geef is hoe ik mijn dochter van 15 over een paar jaar dit land uit krijg. Ver weg.”

En dan begint hij er opeens zelf over. „Zie je die rij voor die bank? Dat is als in Albanië of Roemenië twintig jaar geleden.”