De Kamer met vakantie en het kabinet een stuk machtelozer

De regering regeert nog wel even verder, maar haar belangrijkste controleur, de Tweede Kamer, is sinds vrijdag met zomerreces. De parlementariërs laten het tweede kabinet-Rutte achter met het gegeven dat zijn macht tanende is. En dat het er met de regeerbaarheid van het land zeker niet beter op is geworden.

Zo wordt de VVD’er Eric Wiebes in zijn nog jonge loopbaan als staatssecretaris van Financiën geconfronteerd met de politieke realiteit dat de herziening van het belastingstelsel die hij ambieerde, kansloos is geworden. Bijna een jaar geleden zei hij in NRC Handelsblad: „Je kunt voor of tegen belastingen zijn, maar iedereen weet dat het eenvoudiger moet. En als iemand dat vergeet, wil ik ze daar bijzonder graag aan herinneren.” Maar helaas: het kabinet van VVD en PvdA slaagt er niet in om in het parlement een meerderheid te vinden voor een verregaande stelselwijziging.

Gelukkig kan Wiebes zijn energie nog steeds nuttig besteden: door te werken aan noodzakelijke versimpeling van de autobelastingen en door een einde te maken aan het onrechtvaardige effect van de vermogensrendementsheffing.

Of die andere resterende fiscale ambitie van Rutte II haalbaar is, de verlaging van de lasten op arbeid, staat te bezien. Zolang het kabinet het begrotingstekort niet echt op orde heeft – en dat is iets anders dan te voldoen aan de 3-procentsnorm – zal dit cadeau aan de burger stuiten op scepsis bij de Europese Commissie. Omdat het een cadeau is waarvoor het kabinet goed beschouwd zelf moet lenen. Geklaag in Den Haag over deze Brusselse bemoeienis klinkt als een valse noot: de bemoeienis van de Commissie met nationale begrotingen is een keuze die de lidstaten van de Europese Unie zelf hebben gemaakt. Nederland behoorde tot de strenge voorstanders.

De verzwakte positie van het kabinet kent op de eerste plaats binnenlandse oorzaken. Kon het een dikke twee jaar via compromissen in de Tweede Kamer met de ‘constructieve drie’ (D66, ChristenUnie en SGP) voorstellen ontwikkelen die daardoor ook op een meerderheid in de senaat mochten rekenen, de getrapte Eerste Kamerverkiezingen hebben hier op 26 mei een einde aan gemaakt. Die meerderheid bestaat niet meer. Het afhaken van D66 deze week bij de gesprekken over de belastinghervorming was symptomatisch. De kiezer heeft het politieke landschap nog verder verkaveld, voor de Eerste Kamer alvast tot en met 2019.

Zelf is de coalitie van VVD en PvdA tot nu toe in staat gebleken dreigende crises af te wenden. Dat gebeurde, vooralsnog, bij de zorgvoorstellen die minister Edith Schippers (Volksgezondheid, VVD) in december door toedoen van enkele PvdA-senatoren zag sneven. Het gebeurde bij de bed-brood-bad-discussie over de opvang van uitgeprocedeerde asielzoekers. Er volgden moeizame, niet steeds praktische compromissen. Maar toch: compromissen die duidden op de politieke wil bij de coalitiepartners om samen door te gaan, het liefst tot de reguliere nationale verkiezingen van 15 maart 2017.

Maar de aantrekkingskracht tussen VVD en PvdA, al geen natuurlijk gegeven, zal afnemen naarmate het kabinet zich vaker ziet geconfronteerd met zijn ongemakkelijke positie in de Eerste Kamer, waar het de steun van ten minste vier fracties nodig heeft om tot een meerderheid te komen.

Als de Tweede Kamer in september terugkeert van zijn zomerreces beginnen diverse activiteiten waarmee wordt herdacht dat het tweekamerstelsel 200 jaar bestaat. Een stelsel dat, net zoals het Binnenhof zelf, aan een stevige opknapbeurt toe is.