Arthur is dood

Elke week staat op deze plek een fictieverhaal. Deze week een fragment uit Station Elf van Emily St. John Mandel. Op een winterse avond in Toronto sterft de beroemde acteur Arthur Leander op het toneel terwijl hij de rol van zijn leven speelt.

Er waren nu nog maar een paar mensen in het Elgin and Winter Garden Theatre Centre. Een vrouw die kostuums waste in het kostuumatelier, een man die daar vlakbij andere kostuums streek. Een actrice – ze had Cordelia gespeeld – die achter de schermen tequila dronk met de assistent-toneelmeester. Een jonge toneelknecht die het toneel dweilde en met zijn hoofd knikte op de maat van de muziek op zijn iPod. In een kleedkamer probeerde de vrouw die op de kindactrices paste het snikkende meisje te troosten dat op het toneel had gezeten toen Arthur stierf.

Zes achterblijvers waren in de bar van de foyer beland, waar ze bediend werden door een barmhartige barman. De toneelmeester was er, Edgar en Gloucester ook, een visagist, Goneril, en een uitvoerend producent uit het publiek. Op het moment dat Jeevan de sneeuwbanken van Allan Gardens Park in waadde, schonk de barman een glas whisky in voor Goneril. Het gesprek ging nu over het inlichten van Arthurs familie.

‘Maar wie wás zijn familie?’ Goneril zat hoog op een barkruk. Haar ogen waren rood. Zonder make-up leek haar gezicht van marmer, met de bleekste, volmaaktste huid die de barman ooit had gezien. Ze leek achter de schermen veel kleiner, en veel minder slecht. ‘Had hij familie?’

‘Hij had een zoon,’ zei de visagist. ‘Tyler.’

‘Hoe oud?’

‘Een jaar of zeven?’ De visagist wist precies hoe oud Arthurs zoon was, maar hij wilde niet laten merken dat hij roddelblaadjes las. ‘Volgens mij woont hij bij zijn moeder in Israël, ik dacht in Jeruzalem of Tel Aviv.’ Hij wist dat het Jeruzalem was.

‘O ja, die blonde actrice,’ zei Edgar. ‘Elizabeth, toch? Eliza? Zoiets.’

‘Ex-vrouw nummer drie?’ De producent.

‘Volgens mij was de moeder van de jongen ex-vrouw nummer twee.’

‘Arme jongen,’ zei de producent. ‘Had Arthur een relatie?’

Er viel een ongemakkelijke stilte. Arthur had een affaire onderhouden met de vrouw die op de kindactrices paste. Alle aanwezigen, behalve de producent, wisten ervan, maar niemand van hen wist of de anderen het wisten. Gloucester was degene die de naam van de vrouw uitsprak.

‘Waar is Tanya?’

‘Wie is Tanya?’ vroeg de producent.

‘Een van de kinderen is nog niet opgehaald. Ik denk dat Tanya in de kleedkamer van de kinderen is.’ De toneelmeester had nog nooit iemand zien sterven. Hij snakte naar een sigaret.

‘Oké,’ zei Goneril, ‘wie hebben we nog meer? Tanya, het jongetje, al die ex-vrouwen, nog iemand anders? Broers, zussen, ouders?’

‘Wie is Tanya?’ vroeg de producent opnieuw.

‘Over hoeveel ex-vrouwen hebben we het?’ De barman poetste een glas op.

‘Hij heeft een broer,’ zei de visagist, ‘maar ik weet zijn naam niet meer. Ik weet alleen nog dat hij zei dat hij een jongere broer heeft.’

‘Ik denk dat er een stuk of drie waren,’ zei Goneril, die het over de ex-vrouwen had. ‘Drie?’

‘Drie.’ De visagist knipperde tranen weg. ‘Maar ik weet niet of de laatste scheiding officieel is.’

‘Dus Arthur was met niemand getrouwd toen hij... hij was vanavond met niemand getrouwd?’ De producent wist dat dit dwaas klonk, maar hij wist niet hoe hij het anders moest verwoorden.

Arthur Leander was nog maar een paar uur geleden het theater binnengewandeld, en het was onvoorstelbaar dat hij dat morgen niet meer zou doen.

‘Drie scheidingen,’ zei Gloucester. ‘Kun je je dat voorstellen?’

Hij was zelf recentelijk gescheiden. Hij probeerde terug te halen wat Arthur als laatste tegen hem had gezegd. Iets over blokkeren in het tweede bedrijf? Hij wou dat hij het nog wist. ‘Is er iemand ingelicht? Wie moeten we bellen?’

‘Ik denk dat ik zijn advocaat maar moet bellen,’ zei de producent.

De oplossing was onbetwistbaar, maar zo deprimerend dat de groep een paar minuten zwijgend dronk voordat iemand iets kon uitbrengen.

‘Zijn advocaat,’ zei de barman uiteindelijk. ‘Jezus, wat erg. Je gaat dood, en dan bellen ze je advocaat.’

‘Wie anders dan?’ vroeg Goneril. ‘Zijn agent? De zevenjarige? De ex-vrouwen? Tanya?’

‘Ja, ja, ik weet het,’ zei de barman. ‘Het is gewoon vreselijk.’

Ze zwegen weer. Iemand merkte op dat het hard sneeuwde, en inderdaad, ze zagen het door de glazen deuren aan de andere kant van de foyer. Vanuit de bar bekeken leek de sneeuw bijna abstract, een film over slecht weer in een verlaten straat.

‘Nou, op Arthur dan maar,’ zei de barman.

In de kleedkamer van de kinderen gaf Tanya Kirsten een presse-papier. ‘Hier,’ zei ze, toen ze hem in Kirstens handjes legde, ‘ik ga blijven proberen je ouders te bereiken, en probeer jij gewoon te stoppen met huilen en naar dit mooie ding te kijken...’ en Kirsten, die over een paar dagen acht zou worden, staarde buiten adem door haar tranen heen naar de presse-papier, en ze vond hem het mooiste, wonderbaarlijkste en vreemdste wat iemand haar ooit had gegeven. Het was een klomp glas waar een onweerswolk in gevangenzat.

In de foyer stootten de mensen die zich aan de bar hadden verzameld hun glazen tegen elkaar. ‘Op Arthur,’ zeiden ze. Ze bleven nog een paar minuten zitten en vervolgens ging ieder zijn eigen weg door de storm.

Van iedereen die aan de bar zat die avond was de barman degene die het langst in leven is gebleven. Hij stierf drie weken later op de weg die de stad uit leidt.