‘We zijn vergeten hoe extreem bizar het christendom eigenlijk is’

Emmanuel Carrère

Een boek over het ontstaan van het christendom van Carrère werd een bestseller. ‘Als je ook maar een kwart hiervan op de islam toepast, zou je in de problemen komen.’

Emmanuel Carrère: ‘Men zegt wel dat ik narcistisch ben, maar dat vind ik niet. Ik ben ijdel’ Foto Richard Dumas/Agence VU

Vijfentwintig jaar geleden werd Emmanuel Carrère (1957) fervent rooms-katholiek. Hij werd ‘door de genade getroffen’, trouwde voor de kerk, liet zijn zonen dopen en ging iedere dag naar de mis, te biecht en ter communie. Drie jaar later kwam er een eind aan zijn geloof. In die drie jaar becommentarieerde hij iedere dag een paar verzen uit het evangelie volgens Johannes. In zijn Parijse appartement vertelt hij hoe hij op zoek ging naar die twintig schriften met aantekeningen toen hij een reportage wilde maken over de eerste christenen. Hij wilde onderzoeken hoe dat gegaan is, wie er een rol bij speelden, hoe die tijd eruit zag. „Hoe bestaat het dat er nog steeds mensen zijn die in dat bizarre verhaal geloven?” Toch worden christenen gerespecteerd, vervullen ze een sociale rol en kunnen ze erop rekenen met respect te worden bejegend, schrijft hij, „Raar, ja absoluut.”

Aan het begin van zijn boek beschrijft Carrère, auteur van onder meer Limonov, de existentiële crisis waarin hij vijfentwintig jaar geleden zat; hij kon niet meer schrijven en had het gevoel aan alle kanten te zijn vastgelopen. Met een vriend gaat hij in Zwitserland mee naar de mis, waar een pater een passage voorleest uit het evangelie volgens Johannes: ‘Als je oud bent zul je je armen uitstrekken/ en je gordel laten omdoen/ en je zult een weg gaan die je zelf niet wilt’. Even later schrijft hij aan zijn meter dat Christus nu ‘zijn leidsman’ is. Achter elke bekering tot Christus zit een bepaalde zin, schrijft Carrère, een zin die hem op het lijf geschreven is en ‘die op hem wacht.’

Waarom was het juist deze zin die tot uw bekering leidde?

„Ik zat in een enorme crisis, ik was angstig, ik had geen plan, ik kon niet meer schrijven en ik zag geen uitweg. Nog steeds vind ik het een hele sterke zin, je zult een weg gaan die je zelf niet wilt. Je kunt het overgave noemen. Je kunt beter daar naar toe gaan, waar je niet had verwacht te belanden. Als je alleen maar doet wat je wilt doen, is het leven geen groot avontuur. De zin was niet zozeer een openbaring alswel een reddingsboei. Ik had een ontsnappingsroute gevonden, kon het laten gebeuren zonder dat ik capituleerde. Ik wilde per se dat het werkte, ik klampte me eraan vast.”

Uw boek is een dialoog tussen degene die u nu bent en die u 25 jaar geleden was.

„Ik wilde een boek schrijven over de oorsprong van het christendom, over het nieuwe testament, over de oorsprong van dat vreemde geloof. In dat kader wilde ik christenen interviewen – alsof het een exotisch ras betrof. Toen realiseerde ik me dat ik zelf christen was geweest, ik hoefde alleen de toegangsdeur te vinden. Schrijven over het geloof is een gevoelige zaak, er is een grens, je staat of aan de ene of aan de andere kant. Toch had ik die wensdroom om een beetje aan allebei de kanten te staan, dat kon ook voor de lezer interessant zijn. Tegenwoordig ben ik agnost, maar iets in mij is gelovig geweest. Dat iets in mij is wel niet van hele goede kwaliteit gebleken, maar toch gaf het me de gelegenheid met mezelf in dialoog te gaan.”

U citeert Edgar Allan Poe over de dunne grens tussen rede en waanzin, Philip K. Dick, over wie u een biografie publiceerde, en de verandering van Saulus in Paulus, de man die veranderde in zijn tegendeel. Alle drie illustreren hoe je fundamenteel iemand anders kunt worden.

„Ja, dat is een heel verontrustende dimensie van het bestaan. Bij een bekering word je echt iemand anders. Naarmate je meer verandert, ben je tevredener. Het bewijst dat je een hele weg hebt afgelegd. Nu, zoveel later, schaam ik me enigszins voor wie ik was. Ik heb niets verkeerds gedaan, maar toch. Het geloof is niet zomaar iets wat je meemaakt, ik wilde bepalen hoe ik daar nu tegenover stond.”

Welke sporen heeft uw bekering bij u achtergelaten?

„De omkering van waarden van het christendom raakt me nog steeds, omdat het ingaat tegen alles wat we denken te weten van het leven. We willen allemaal liever groot zijn dan klein, liever sterk dan zwak, rijk dan arm. Het christendom zegt: zo zit het niet. Nietzsche zegt onzin, het christendom gaat in tegen alles wat overduidelijk is. Dat verwijt blijft overeind. En toch heb ik de indruk dat we, als we die christelijke manier van kijken kwijtraken, iets wezenlijks verliezen. Een van de paradoxen van het christendom is dat je die niet kunt toepassen als de gangbare moraal. Het christendom is een paradoxale gedachte. We zijn eraan gewend en daarom vergeten we hoe extreem bizar het is. Dat beseften die mensen in de eerste eeuw na christus ook, dat wilde ik tastbaar maken.”

Heeft u in uw boek niet uw eigen interpretatie gegeven van het ontstaan van het christendom?

„Mijn boek is een soort visite guidé van het Nieuwe Testament, dat ik heel nauwkeurig heb gelezen. Wat men het Oude Testament noemt is tot stand gekomen over een periode van duizend jaar, met verschillende redacteuren. Het Nieuwe Testament is in vijftig jaar geschreven, door een twintigtal mensen van twee generaties, die elkaar kenden. Die mensen wilde ik schetsen, hun haat en hun rivaliteit, hun ruzie en jaloezie, hun tegengestelde belangen, hun richtingenstrijd. Nu stellen we ze voor met een aureool, maar toen waren ze gewoon elkaars tijdgenoten. Dat doet niets af aan hun grootheid, maar het waren wel gewoon mensen.”

U heeft de meeste affiniteit met evangelist Lucas. Waarom juist hij?

„Het is natuurlijk een anachronisme om je te identificeren met een evangelist uit de eerste eeuw. Maar we hebben twee boeken van zijn hand, het Evangelie en de Handelingen. De historici zeggen weliswaar dat ze niet van één persoon zijn, maar van een gemeenschap, maar toch is er op een gegeven moment iemand die het opschrijft. De teksten van Lucas hebben een sterke persoonlijke identiteit, een eigen signatuur, zelfs ondanks het feit dat hij overal van alles vandaan haalt – alsof het een collage is. Ik voelde me verwant aan die fijngevoeligheid van Lucas, ik stond dichtbij hem.

„Dat kan ik niet van Paulus zeggen, hij was geniaal, machtig, maar je kunt geen affiniteit met hem hebben. Hij heeft iets monsterlijks. Lucas is menselijk, geen fanaticus, niet sektarisch, hij had een beetje de neiging om iedereen met wie hij sprak gelijk te geven, dat is ook zijn gebrek. Lucas heeft ook wel iets van een sovjethistoricus, hij herschrijft de geschiedenis in de lijn van de partij om niemand op de tenen te trappen. Van de gewelddadige gebeurtenissen uit de brieven van Paulus bijvoorbeeld maakt Lucas een aardig verhaal, waarbij iedereen zich goed voelt.”

U vindt het aantrekkelijk dat Lucas in de eerste persoon schrijft, iets wat u zelf wel eens is verweten.

„Men heeft me wel gezegd dat ik te veel in de ik-vorm schrijf, dat zou egocentrisch en narcistisch zijn, maar dat vind ik niet. Dat wil niet zeggen dat ik niet ijdel ben, maar ik hecht eraan te laten zien wie het is die er schrijft, de tekst is niet objectief. Het is wel zo eerlijk dat de lezer dat weet.”

U schrijft al twintig jaar geen fictie meer, maar alleen nog ‘récits’. Waarom bent u van de roman afgestapt?

„Het is niet zo dat ik het niet wil, dat ik vind dat de roman dood is of zo. Het terrein waarop ik in vorm ben is nu niet de fictie. Maar ik lees veel romans.”

De lezers van ‘Limonov’ zullen wel even moeten wennen aan dit boek, hoewel u soms vergelijkingen maakt tussen de geschiedenis van Rusland en die van het christendom. Wat is het verband tussen de twee?

„Beide boeken hebben veel gemeen: het zijn historische avonturenromans en schetsen een fresco van een moment uit de geschiedenis. Ieder boek draait om een fundamentele houding van de mens, waarbij de ene tegengesteld is aan de andere. Limonov is Nietzscheaans: het is normaal dat de sterke de zwakke vernietigt, dat is de wet van de jungle. Daar tegenover staan de goede zielen, de christenen, dat zijn voor Limonov de belachelijkst denkbare mensen. Het Koninkrijk gaat over die andere visie, die van de christenen. Ik voel meer affiniteit met de laatsten. Nietzsche is een geniale en enorm stimulerende auteur, maar zijn versie is fascistisch – en dat zeg ik zonder te willen verwijzen naar politiek extremisme, neonazi’s of wat dan ook. Het betekent dat de sterkste wint en dat al het andere tot het ‘angelisme’ behoort, totaal wereldvreemd is. Ik denk dat er een hogere waarheid is. Beide boeken draaien dus om hetzelfde thema.”

‘Het koninkrijk’ is in Frankrijk een bestseller geworden. Wat zegt dat over ons?

„Toen het boek zo’n succes werd, zei men ‘wat geweldig dat je met zo’n afstotelijk onderwerp als het begin van het christendom zoveel lezers kunt krijgen’. Ik was helemaal niet verbaasd. Of je nu gelovig bent of niet, het christendom is onze oorsprong en het is altijd interessant om te weten waar je vandaan komt. Wat mij raakt, is dat het zowel gelovigen als niet-gelovigen boeit. We leven in een ontkerstende wereld, maar er zijn nog veel christenen. Dat het ook bij hen succes heeft, zegt iets over hen. Mijn boek is niet blasfemisch, maar ook niet door een gelovige geschreven. Als je ook maar een kwart hiervan op de islam toepast, zou je in de problemen komen. Maar in Frankrijk omhelzen de priesters me, dat pleit voor de christenen van vandaag. Het is een oude religie die gelukkig geen macht meer heeft, ze is teruggedrongen in de privésfeer. Het is alsof de neergang van een religie samengaat met haar rijpheid. Ik heb veel brieven gekregen van mensen die me vroegen waarin ik zelf geloof, maar dat is niet het belangrijkste.”

Wat is dan het belangrijkste?

„Het gaat om de toegang tot een andere dimensie van de realiteit. Het is als een radiofrequentie die je soms opvangt, dat is wat ik ‘het koninkrijk’ noem. Daar sta ik niet onverschillig tegenover. Het beeld van een bebaarde god op een wolk die ons straft, heeft afgedaan. In werkelijkheid gelooft het merendeel van de mensen toch in iets – zelfs als ze atheïstisch zijn.”