‘Sax en panfluit mengen het best met orgel’

In Alkmaar worden op het orgel festival composities gespeeld van Piet Kee. De oud-organist is perfectionist en voorzag een compositie van een nieuw slot.

Piet Kee Foto ANP / Olaf Kraak

Orgel spelen doet hij niet meer. Zo’n tien jaar geleden liet Piet Kee (87) zijn carrière als organist als een nachtkaars uitgaan, zonder groots afscheid. Heel soms kroop hij nog achter het klavier voor een concert, maar dat is nu echt voorbij. Door een val loopt hij momenteel moeilijk, het bespelen van de pedalen gaat even niet. De laatste keer dat hij een concert wilde geven, kreeg hij een black-out. Hij kon zich niet meer concentreren. Hij heeft geen idee waar het aan lag.

Of het hem dwarszit? Welnee. „Ik zit vol muziek. Daar heb ik niet direct een instrument voor nodig. En af en toe speel ik nog piano.”

Je zou Piet Kee een monument van de Nederlandse orgelwereld kunnen noemen. Kee, die zich zijn hele carrière inspant voor het gebruik van het orgel buiten de religieuze sfeer, maakte al op jonge leeftijd internationaal furore. Drie keer op rij won hij het improvisatieconcours in de Haarlemse Bavo, waar hij later stadsorganist werd. Hij leidde tal van organisten op, onder wie oudemuziekspecialist Masaaki Suzuki. En ook met eigen composities, waarin hij reeksen en vogelzang verwerkte, maakte hij naam.

Zaterdag staan twee van zijn werken centraal in het slotconcert van het Orgel Festival Holland in Alkmaar: Network (1996) en Music and Space (1969), dat is gecomponeerd voor twee orgels en koperblazers die zich door de kerk verplaatsen. Het thema van het festival is naar het laatste stuk vernoemd. Op de omslag van het programmaboek zie je het Alkmaarse orgel als een ruimteschip langs de sterren vliegen.

Kee is in zijn element. „Toen ik hoorde dat ze Music and Space zouden spelen, keek ik met voldoening terug op wat ik geschreven heb”, zegt hij. Toch was hij niet helemaal tevreden. Kee, berucht om zijn perfectionisme, liet een partituur maken met nog preciezere aanwijzingen – en schreef er gelijk een nieuw slot bij.

Ook Network is voor twee orgels, maar dan in combinatie met saxofoon en sopraanblokfluit. Trots laat de componist de partituur zien. „De saxofoon en de panfluit, dat zijn de instrumenten die het best mengen met een orgel”, doceert Kee in zijn herenhuis in Haarlem. „Het zijn blaasinstrumenten met een grote kracht en dynamisch vermogen, en met een klankkleur die de meeste orgels juist niet hebben.”

Het thema van het festival zou ook een goede titel zijn voor een biografie van de componist. Zijn hele leven is hij gefascineerd door ruimte. De structuur, de verhoudingen (hij liet zich eens voor een compositie inspireren door een schilderij van Pieter Saenredam – in The Organ construeerde hij als het ware een orgel in het orgelloze kerkinterieur van Assendelft). Maar ook het effect op klank blijft hem boeien. „Ruimte is voor mij altijd een uitdaging geweest. Ik trad graag op in droge zalen, dan hoor je veel beter wat je doet. Bij orgelspel gaat het vooral om timing, hoe je aanslaat. Een zaal als de Royal Festival Hall in Londen, die heel droog is, daar speelde ik heel graag. Het is de kunst om het dan toch boeiend te maken.”

Dat Kee graag speelde op moderne instrumenten, is iets wat veel liefhebbers nog kan verbazen. Hij had immers enkele van de beroemdste orgels ter wereld onder zijn hoede: in de Laurenskerk in Alkmaar, waar hij op zijn 25ste benoemd werd als stadsorganist, het Van Hagerbeer-Schnitgerorgel en het oudst bespeelbare instrument van Nederland, het Van Covelensorgel uit 1511. De functie in Alkmaar combineerde hij jarenlang met Haarlem, waar het door Mozart bewierookte Müllerorgel hangt.

De orgels uit beide steden zijn hem even lief. „Het Müllerorgel zie ik als het eerste echte universele orgel. Het is veelzijdiger dan ‘Alkmaar’. Maar het Hagerbeer-Schnitgerorgel heeft een bijzondere historische klank, daar is door de jaren heen minder aan verbouwd. Vergelijk het met een berglandschap. Als je de hoogste berg beklimt, zie je er verderop eentje die nog iets hoger lijkt. Deze orgels zijn zulke bergtoppen, allebei met een uniek karakter. Nee, ik zou niet willen kiezen.”