Column

Meer praten over het leven dan over muziek

Wilfried de Jong in DWDD Summerschool.

De eerste noten van jazzklassieker Kind of Blue klonken als de kreun van een papzak die zich omdraait in zijn slaap. Wat er aan de hand was, gisteravond in de slotaflevering van DWDD Summerschool: de pick-up stond te langzaam. Bij de tweede poging gaat het beter. „Vind je dit mooi?” vraagt Michel van Egmond meteen. „Ik vind dit heel…” aarzelt Wilfried de Jong. „Ik denk: waar gaat het naartoe? Wanneer begint er iets te swingen? Er swingt helemaal niks!”

Dat leek nog steeds meer op een valse noot dan op een warm welkom van De Jong en Van Egmond aan het onderwerp van hun college: Kind of Blue van Miles Davis. Maar je kunt het ook zien als een toepasselijk jazzy openingsakkoord van een halfuurtje gecontroleerde improvisatie.

Dit werd geen college waarbij je het gevoel had studieus aantekeningen te moeten maken. Het programma werd bij wijze van gimmick in contrastrijk zwart-wit uitgezonden, om de studio de allure van een jazzcafé te geven. Er speelde ook een bandje. Maar de jazz zat vooral in het goed op elkaar ingespeelde docentenduo, televisiemaker De Jong en sportschrijver Van Egmond – tevens „gezworen jazzvrienden”, zoals Matthijs van Nieuwkerk ze introduceerde. Ze hadden ervoor gekozen het publiek niet met feitjes te overladen. Het was immers een misverstand dat jazz voorkennis vereiste om het te kunnen waarderen.

De „magie” van Kind of Blue herleidden ze dan ook tot het ontstaan ervan: opgenomen in twee dagen, zonder vooraf veel te repeteren. Zodat de muziek nog vers was voor de muzikanten, „om te voorkomen dat zij clichés gingen bedenken”.

Vorm en inhoud waren één, bij dit programma: wat er bedacht was aan het verhaal van Van Egmond en De Jong, voelde ook niet overgeproduceerd, maar rauw, fris, een tikje rommelig.

De mooiste typering, van Van Egmond, was dat Kind of Blue klinkt alsof Davis „zijn bandleden een muzikaal raadsel heeft gegeven en wij nu mogen meeluisteren hoe ze driftig naar een oplossing zoeken”. De Jong kon er ook wat van, in de lyrische anekdotes over Miles Davis die hij voordroeg: „De vingers van Miles lagen als zwarte takken losjes op de ventielen van zijn trompet.” En: „De kootjes hingen op het eind over de ventielen heen, een beetje moe van het leven.”

Meer dan over de muziek ging het over het leven dat in de muziek zit – een effectieve manier om het aansprekend te maken. En een terechte.

Het deed me denken aan de documentaire What Happened, Miss Simone? van Liz Grabus, sinds vorige week te zien bij thuisvideotheek Netflix. Daarin is datzelfde gedaan, op vrij superieure wijze. Het is een biopic van zangeres Nina Simone, opgebouwd uit veel indrukwekkende beelden en geluidsopnamen van haar en gesprekken met naasten. Simones levensverhaal is woelig en tragisch en haar muziek is puur en doorvoeld, en het indrukwekkende van de documentaire is hoe die aan elkaar geknoopt werden. De diepte van Simones stem weerspiegelde een diepe donkerte in haar karakter, merkt een oude vriend op in de documentaire. Dat zou misschien een simplistische reden zijn om haar muziek te waarderen, als het niet zo terecht was. Zij was puur haar kunst. En, maakten Van Egmond en De Jong duidelijk, Miles wás kind of blue.