Juliana, Bernhard en een esoterische club

Lange tijd was het beeld van de Greet-Hofmans- affaire dat koningin Juliana ontoerekeningsvatbaar was en dat prins Bernhard haar weer bij haar positieven bracht. Een sprookje, aldus een nieuwe studie.

Juliana omringd door haar vriendinnen Foto uit besproken boek

Het was het sprookje van de behekste koningin en de prins-gemaal die haar ruw wakker riep uit haar ‘zalige’ boze droom. Hij handelde, zoals altijd, uit welgemeend eigenbelang, zij meende de wereld te verlossen van het kwaad, dat zich manifesteerde in atoombewapening, Korea-oorlog en het egoïsme in de mensenharten. Hij stond, zijns ondanks, voor het goede, zij, haar ronde moederlijke lieftalligheid ten spijt, voor het slechte.

Het was 1956, en het was rotzooi aan het hof. Juliana had zich laten gijzelen door mejuffrouw Greet Hofmans, de ‘Raspoetin van Soestdijk’, die, wist men, een werktuig was van allerhande pacifisten en fellow travellers van de Sovjet-Unie. De natie en in elk geval de vorstin dreigden weg te zinken in een put van religieuze waanzin en politieke stuurloosheid, totdat Bernhard ingreep. Hij lichtte Der Spiegel in. Dat schreef dat de vorstin, eine weiche weibliche Seele, in handen was van een geëxalteerde machtsbeluste sekte met politieke bijbedoelingen. Wat de Hofmansaffaire en later de Soestdijkcrisis heette, was geboren. Het resultaat: een onderzoekscommissie met een soort tijdseigen godsoordeel.

Landsbelang

Omwille van het landsbelang en de eenheid van staat en kroon, moest de vorstin haar sekte en haar ongetrouwde goeroe opgeven. En aldus geschiedde. Juliana ‘koos’ voor man en natie, en tegen haar allerliefste zielsgenote, die met regelmaat op paleis het Oude Loo met geestesverwanten bijeenkwam om de mensheid te zuiveren van ‘zelftoegedachte en toebedeelde schijnsouvereiniteit.’

Het beeld stond sindsdien muurvast. Juliana was ontoerekeningsvatbaar geweest en bij haar positieven gebracht door Bernhard; een naargeestig sprookje dat bijna iedereen geloofde.

Maar klopt het beeld? Er is aan getwijfeld door historicus Lambert Giebels in zijn biografie van de katholieke politicus Beel (de kwade genius van de Hofmansaffaire-commissie), terwijl anderen (journalist Bert van Nieuwenhuizen en Juliana-biografe Jolande Withuis) in detailstudies geloofwaardig het imago van de labiele huismoederkoningin bestreden. Nu is er een proefschrift over de groep rond Hofmans, de zogenoemde influisteraars achter Juliana. Het is geschreven door historicus Han van Bree. Hij neemt het op voor Juliana en doet dat door uitgebreid de Oude Loo Conferenties te analyseren, hun initiators, de zogenoemde ‘voorbereiders’ te bespreken, en de drie hoofdrol- spelers in het zonnetje te zetten: de conferentie-ideoloog en diehard Wim Kaiser; de ‘doorgeefster’ Greet Hofmans en de christelijk occulte ontvankelijke Juliana, Lulla voor intimi.

Het levert even vermakelijke als vermoeiende pagina’s op over een club hermetisch kakelende, kerkvrije christenen, die leven in de zekerheid dat hun hyperindividuele band met God een voorbeeld is voor de mensheid. Hun leider, Kaiser, benoemt zichzelf tot de esoterische weg, waarheid en het leven, en is verder ook onuitstaanbaar; en mejuffrouw Hofmans, die haar doorgevingen aanvankelijk krijgt van een verlichte kippenboer en nadien van Christus zelf, geeft onbevangen door wie er wel en niet mogen komen op de bijeenkomsten – ‘geen dominees, geen communisten en voorzichtig zijn met joden’.

Alle betrokkenen, in meerderheid deelneemsters, kennen hun Krishnamurti en beseffen dat de Nieuwe Tijd nabij is, en dat de Vredesbrenger, God, alle atoombomgepruts zal beëindigen. Hypnotisch gedoe noemde een tijdgenoot het, en een goede vriendin van Juul, Eleanor Roosevelt, kwam na één bezoek tot de conclusie dat op het Oude Loo ongeëvenaarde hoogmoed heerste. Juliana liet zich haar eervolle positie aanleunen, geplaatst als ze was door Hofmans op ‘een uitkijkpost van waaruit U steeds meer en meer Uw signalen aan de wereld geeft’. Ze was er bijna altijd bij, heette alle sprekers welkom, ging met koekjes rond, schonk zelf de thee en de warme chocolademelk in, en zwaaide ze uit.

De indruk dat het Oude Loo, Hofmans en haar getrouwen goed moesten maken wat Bernhard aan Juliana met zijn buitenechtelijke affaires tekort deed, is onontkoombaar. Dit was haar partijtje, haar club, haar hobby. Daar moest iedereen afblijven, zeker haar man die ze al zo veel escapades vergeven had.

Majesteit en mens scheiden

Dat ze dit opgaf, op ‘bevel’ van de Commissie Beel, die in opdracht van Drees haar – the life of the party – verbood nog langer op het feestje te verschijnen, getuigt, zoals Van Bree schrijft, van het vermogen ‘majesteit en mens te scheiden’. De auteur heeft ongetwijfeld gelijk als hij beweert dat de mannenwereld en het stijve christendom haar gezwollen esoterisch-christelijk geuite zelfstandigheid aanzagen voor godsdienstwaanzin. En evenzeer heeft hij dat wanneer hij opmerkt dat de zogenaamde staatsgevaarlijkheid van de politiek naïeve Loo-groep nergens blijkt en berust op tijdgebonden paranoia.

Maar Van Bree’s beschrijving, bedoeld om Juliana te ontlasten, levert ook nieuw belastend materiaal op. Er huisden zogezegd twee zielen in haar: een rationele en een extatische. Ze was ver heen, in een club waar men vanuit het oogpunt van geestelijke gezondheid beter van kan wegblijven. Juliana zat er niet mee, en de auteur evenmin, want herhaaldelijk verklaart hij dat ze bij haar volle verstand haar religieuze wijsheden uitkraamt. Hij roept haar zelfs uit tot vroegtijdige strijdster voor duurzaamheid en ecologisch bewustzijn.

Het punt blijft Bernhard. De koninginnenvlucht in vage godsdienstigheid werd als het ware gevoed door ongeluk in de privésfeer. ‘Arme Mammie, strijdt nu haar grootste strijd, en juist nu staat ze alleen’, schrijft een hartsvriendin vlak na de crisis in 1956. Stel dat haar prins-gemaal haar met een beschuitje op bed had wakker gekust, en had gezegd, ‘weet je, duifje (in plaats van witte olifant, zoals hij haar noemde) sla een conferentietje over en ga met mij mee’, was het Loo dan ook zo belangrijk geweest?