Ik ben een oudere man – die niet helemaal keurig is opgedroogd

Met zijn vrouw gaat Mart Smeets volgende week naar Frankrijk. Op vakantie, niet om de Tour te verslaan. De Tour is nu van anderen. „Als-ie al ooit van mij wás.”

Eerst maar ’ns even een paar dingen duidelijk maken. Nee, hij is niét ongeneeslijk ziek. Dat hij laatst in een radio-interview zei dat hij de Tourstart in Utrecht ‘Deo volente’ hoopte mee te maken, betekende niks bijzonders. „Soms práát ik nou eenmaal zo”, zegt Smeets. Maar mijn hemel, wat een gekte breekt er dan los op de sociale media. De 68-jarige presentator lag al goed en wel in zijn kist. Waanzin. Hij is helemaal niet doodziek. „Er zitten fysiek hooguit wat schroefjes los. De machinerie hapert soms, en dan moet er een oliespuit uit de apotheek aan te pas komen.”

En nee, hij heeft géén ruzie met de NOS, omdat het programma De Avondetappe na twaalf jaar is beëindigd. Dat is allemaal in goed overleg gegaan. Hij vindt het hooguit „niet verstandig” dat de NOS het programma heeft stopgezet. „Die zendtijd rond dat uur moet je niet weggeven.” Maar dat hij er zelf niet meer zit begrijpt Smeets volkomen. Hij zag zichzelf laatst terug bij DWDD University. Daar werd hij niet vrolijk van. „Ik zag een oudere man die niet helemaal keurig is opgedroogd. Ik vond het niet prettig om naar mezelf te kijken. De esthetiek telt ook mee.”

Maar het Tourprogramma had best nog door anderen gepresenteerd kunnen worden. „De Avondetappe was voor veel mensen een aangenaam ritme in de zomer; een plezierige afsluiting van de dag; met gekke gasten en mooie filmpjes. Uit onderzoek bleek dat we vooral bekeken werden door hoogopgeleide vrouwen tussen de vijftig en de zeventig. Die vrouwen waren ooit twintig toen ze in een Lelijke Eend naar Frankrijk reden, baguettes aten en goedkope hoofdpijnwijn dronken. Die herkennen een half leven later opeens het haventje van La Rochelle. Dat was de kracht van het programma.”

Hoe graag hij het programma ook deed, het werd te zwaar voor hem. Vorig jaar was het al kantje boord. „Ik heb het toen fysiek behoorlijk zwaar gehad.” Hij kreeg flinke hartritmestoornissen, soms zelfs tijdens de uitzending. Bijna niemand viel het op, behalve zijn vrouw en een paar goede vrienden. „Toen wist ik dat ik echt moest gaan stoppen. Het duurde even voor ik het helemaal kon aanvaarden, maar inmiddels ben ik volledig aan het idee gewend.”

Het zal wennen zijn, een Tour zonder Smeets. Merckx, Hinault, LeMond, Zoetemelk, Kuiper, Knetemann, Pantani, Armstrong; hij zag ze allemaal aan zich voorbijtrekken. En nu, voor het eerst in 42 jaar, is hij er niet bij. Goed, hij maakt nog dik twintig filmpjes voor het nieuwe NOS Tourprogramma, over historische momenten uit de Tour van ’89. Maar die filmpjes zijn al bijna allemaal klaar. Het circus zal straks op reis gaan zonder hem. Over een goede week gaat hij met zijn vrouw Karen naar Frankrijk, ver weg van de Tour. Terwijl de eerste demarrages van de dag losbarsten zal hij met haar op een koel terras ergens aan een haventje aan een Salade de Langoustines zitten, met een fijne Sauvignon erbij. Tuurlijk, hij zal iedere ochtend L’Equipe kopen, „de bijbel voor elke Tourvolger”. „Maar de Tour zal ik geen dag helemaal op de televisie gaan bekijken, laat staan dat ik er live bij aanwezig zal zijn. Op de etappe in Parijs na... daar sluit ik alles af.”

Hij was een jongetje van zeven toen hij in 1954 de Tour de France van start zag gaan in het Olympisch Stadion in Amsterdam. Veel herinnert hij zich er niet van. Behalve dan dat het druk was, en dat de renners in een flits alweer voorbij waren. Te kort om van het spektakel te gaan houden. Integendeel, hij legde zich liever toe op Amerikaanse sporten. Smeets ging basketballen, zelfs op professioneel niveau. Hij stopte in 1972, en net toen hij een jaar later toch weer flink begon te trainen belde NOS-chef Kees Buurman. „Lange, heb jij wat te doen de komende weken? Zegt de Tour de France jou wat?” Smeets: „Hij zocht – heel simpel – een man die in goed Nederlands kon vertellen wat-ie zag. Henk Terlingen had net afgehaakt omdat hij wielrennen vreselijk vond. En Theo Koomen wilde nog niet op een motor zitten. Ik ben er in ’73 op gaan zitten, maar in het begin wist ik niks. Het was totaal mijn sport niet.” Koos Postema gaf hem tips: ‘hou je aan de hoofdlijnen, dan kun je een goed verhaal vertellen’. „Maar het blijft heel moeilijk om de Tour goed te verslaan, om een waarheidsgetrouw beeld van de koers te schetsen. Veruit het meeste zie je juist niet. Van die 198 renners zie je er maar vijf in beeld.”

De NOS liet Smeets vanaf 1975 ook eigen filmpjes maken. „Een beeld geven van wat zich achter de koers afspeelde. Beelden die iets toevoegden aan wat je de hele dag al zag.” Dat was „ongekend mooi om te doen”, zegt hij gelukzalig. Alleen al de hectiek waarmee dat gepaard ging. „Je maakte overdag je reportage. Dan als een haas het vliegtuig in, terug naar Nederland. Film in bad, monteren, uitzenden, terug naar Frankrijk en de volgende dag weer aan de start.’

Hij zag de Tour zoals bijna niemand ’m zag, in al zijn echtheid en rauwheid. Hij ziet zichzelf nog lopen, in een morsig hotelletje op zoek naar geletruidrager Bernard Thevenet. Het moet 1977 geweest zijn. „We liepen gang in, gang uit. Opeens stonden we voor een halfopen deur met daarachter Thevenet die prettig bewerkt werd door ’n naakte mevrouw. Hij zag ons staan en riep: ‘cinq minutes!’. Even later verscheen hij keurig aangekleed voor onze camera. We hebben er geen woord over gewisseld. Waarom zouden we? Ik dacht hooguit: niet slim van hem. Want zoals Gerrie Knetemann dat zo beeldend uitdrukte: ‘je verschiet je krachten’. Ik heb van mijn chauffeur in de Tour, Edgar Sorgeloos, geleerd: ‘een zaadlozing betekent: de volgende dag opgeven’. Ik weet dat er renners waren die om die reden ’s nachts een touwtje of elastiekje om hun geslacht bonden. Puur bijgeloof. Dat verdween pas toen die gekke Amerikanen allemaal hun vrouwen meenamen en vrolijk vreeën na de koers.”

Eén keer kon Smeets de Tour niet afmaken; in 1984 werd hij teruggeroepen nadat hij in een interview met Ischa Meijer zijn NOS-bazen had beledigd. Maar op die ene keer na zat hij 41 keer drieënhalve week van zijn leven in Frankrijk, rekent hij voor. „In totaal heb ik vijf jaar van mijn loopbaan in Frankrijk geleefd.” Maar ga nou niet zeggen dat Smeets ‘de Tour was’, voegt hij er direct schamper aan toe. Kom op, zeg. „Het is me allemaal overkomen. Als Buurman had gebeld: ‘Hé Lange, wat dacht je van Wimbledon?’, dan was ik waarschijnlijk de Wimbledonman geworden bij de NOS.”

Maar mensen zullen hem nou eenmaal tot in lengte van dagen met de Ronde van Frankrijk blijven associëren. Net zoals ze hem nu al een paar jaar zien als de man die alles wist van doping maar er nooit iets over zei. Pisnijdig kan ’ie daar om worden. Natúúrlijk wist hij vanaf het begin dat het speelde. „Wat dacht je dan? Je verkeert voortdurend tussen oud-renners. Dan hoor je de verhalen. Maar bewijzen kon je nooit iets, op een keer of zes, zeven na dat we zelf met positieve renners kwamen. Is men dat vergeten? Zoetemelk, Theunisse, Merckx, Koerts…”

Het wielrennen is „een volstrekt omertale familie”, zegt Smeets. „Niemand zal tegenover een buitenstaander – en dat ben je als journalist – ooit echt zijn mond opendoen. Maar ik ben nu opeens die man die jammerlijk gefaald heeft, Ik was zogenaamd de beste vriend van Lance Armstrong. Man, ik heb niet eens zijn telefoonnummer, heb hem in 2010 voor het laatst gesproken…!”

Natuurlijk heeft hij vaak gedacht: het klopt niet. „Maar als ik het hem vroeg, ontkende hij dat glashard, recht in de camera kijkend. Als je dan als journalist zegt dat het niet klopt, moet je wel met bewijzen komen. En dat kon ik niet.” Er is niet één journalist geweest die dat gelukt is. Ook mijn geachte Vlaamse collega’s niet. Dat konden alleen laboratoria en vaak die ook niet. David Walsh, de Ier, heeft naam gemaakt als ‘achtervolger’ van Lance Armstrong. Vóór hem waren er vooral en beter bekend in het milieu de stafmedewerkers van ‘l Equipe, die naam hadden en verder was er een flinke kluit Denen die pas na 1995 met ‘opsporen’ begonnen. Wij in Nederland, deden het, generaal gesteld, ‘te hooi en te gras’. Maar het zijn uiteindelijk de FBI en [het Amerikaanse antidopingbureau] Usada geweest die Armstrong gevloerd hebben, niet de journalistiek, noch [internationale wielerenunie] UCI. Net zoals het nu de FBI is die de FIFA aanpakt.”

Het is voor hem geen definitieve smet op de wielersport geworden. „Bedrog is er altijd een essentieel onderdeel van geweest. Degene voor wie dat nieuw is, heeft de afgelopen honderd jaar heel slecht opgelet.”

De Tour heeft voor hem meer met vriendschap dan met doping te maken, benadrukt Smeets. „Ik ben de afgelopen veertig jaar heel bijzondere mensen tegengekomen. Maarten Ducrot beschouw ik als een vriend; echt een heel verstandige man. En Erik Breukink is mij ook dierbaar. Altijd als we elkaar zien informeren we eerst uitvoerig naar elkaars wel en wee.” En Jean Nelissen, ja, die was jarenlang ook echt een vriend, zegt Smeets. Decennialang deden ze samen verslag van de Tour. Nelissen was ‘de kameroudste’, de hoogste in de rang der kennis. Hij zorgde voor de verhalen, Smeets lette erop dat het televisie bleef. „Jean was wijs, en kende het wielrennen veel beter dan ik. Hij luisterde niet naar regisseurs, keek niet naar de beelden, Jean vertelde zijn verhaal. Daarbij vernaaide hij vaak het beeld. Had hij het over de schoonmoeder van Merckx terwijl we net met de koplopers langs een kerncentrale reden.”

De herinnering aan ‘De Neel’ is ook smartelijk. „Het is onverdraaglijk als een vriend zich willens en wetens kapot zuipt.” Eind jaren negentig begon het langzaam bergafwaarts te gaan. „Jean bladderde geleidelijk af. Hij verloor zijn gevoel voor decorum. Ik vergeet nooit dat ik achter hem liep op een vliegveld en zag dat hij zich bevuild had. Ben ik naast ’m gaan lopen. ‘Jean, je moet je even in het toilet opknappen’. Potverdomme, wat een klap was dat. Voor mij maar natuurlijk ook voor Jean. Langzaamaan verdween hij naar de reservebank. Hij mocht nog stukjes maken voor De Avondetappe: Tour de Jean. Dat overkomt mij nu ook... de koninklijke weg; nog een serie filmpjes en dan tabee, wegwezen, dat was het dan.”

„In 2006 hebben we in Maastricht een vergadering gehouden met alle mensen die hem een warm hart toedroegen. We zeiden: ‘Jean, wil je alsjeblieft ophouden met drinken?’ We hebben hem nog een tijd gezamenlijk financieel gesteund en boven water gehouden. Zo verschrikkelijk triest. Hij leefde als een kluizenaar. Jean was Catweazle geworden. Karen heeft weleens gezegd: ‘Jean, wil je alsjeblieft je nagels knippen?’ Ze deed dat heel lief. Als-ie weer ’ns met een smerig overhemd rondliep zei ze: ‘Jean, heb je dat ene gele hemd nog op je kamer? Trek dat dan even aan.’

De laatste keer dat Smeets Nelissen zag was in april 2010, kort voor zijn dood. Hij ging op ziekenbezoek, samen met Maarten Ducrot en Gerrit Solleveld. Smeets huivert zichtbaar bij de herinnering. Want Nelissen was toen al heel ver heen. „Hij lag in bed; broodmagere beentjes en een oedeem-achtige buik. Mij herkende hij nog net, maar de jongens aanvankelijk niet. Langzaamaan werd hij helderder. Toen kwam de oude Jean weer even boven. Hij maakte zelfs een vileine grap. Toen de verpleegster het katheter in zijn arm kwam recht leggen riep hij, op de naald wijzend: ‘zuster, die twee die daar staan weten daar véél meer vanaf dan u’. Bij het afscheid pakte hij mijn hand en zei: ‘Martje, blijf verhalen vertellen. Blijf vertellen’. Toen we later met z’n drieën op een terrasje zaten, was Maarten de eerste die weer bij stem was. Ik zal nooit vergeten wat hij zei: ‘ik weet sinds een half uur hoe de dood ruikt’. Want dát was de geur die om Jean hing, de lucht van totale aftakeling. Vre-se-lijk. Dat iemand zichzelf dát kan aandoen.”

Maar zoals Smeets zelf altijd zegt: de Tour wacht op niemand. Niet op Nelissen, en dus ook niet op hem. Ben je gék, zeg. Hij heeft voorgoed afscheid van de Ronde van Frankrijk genomen. „In elk geval fysiek.” En zolang hij die L’Equipe maar elke dag in handen heeft is het een lot dat hij kan dragen. Hij is een realist, geen huilebalk. De Tour is bij de NOS vanaf nu van anderen. ‘Als-ie al ooit van mij wás.”