Het hart richt in Polen alles te gronde

Eindelijk is het Poolse meesterwerk De pop uit 1879 voor een Nederlands publiek ontsloten. Op een wervelende manier laat deze roman het verval van het negentiende-eeuwse Polen zien, aan de hand van een obsessieve liefde.

Stanislaw Wokulski Illustraties Joost Hölscher

De belangrijkste Poolse roman van de negentiende eeuw is voor het eerst in het Nederlands vertaald. En dat is groot nieuws, al zullen de meesten van u nooit van De pop en schrijver Boleslaw Prus (1847-1912) hebben gehoord. Voor de Polen is dat anders. Voor hen is De pop wat de Max Havelaar voor ons is: de eerste moderne roman in hun taal, een boek dat op iedere middelbare school verplicht is en bij menige Pool nostalgische herinneringen oproept.

Natuurlijk kun je je afvragen wie er nog zin heeft in een over 900 bladzijden uitgesmeerd verhaal van een obsessief verliefde koopman, die zijn zinnen heeft gezet op een verveeld adellijk meisje. En dan is De pop door de uitgever ook nog eens in een vuistdikke paperback gegoten, die je soms het gevoel geeft een Oost-Europese baksteen in handen te hebben.

Die bezwaren worden echter snel teniet gedaan. Want zodra je in dit wijdlopige, geestige, dramatische, veelstemmige, deels autobiografische boek bent begonnen, kun je het niet meer wegleggen. Ook al komt het pas halverwege echt op gang.

De pop is allesbehalve een actuele klassieker, maar wel een roman die een ongekend en rijkgeschakeerd beeld geeft van de neergang van de negentiende-eeuwse Poolse samenleving. Die neergang begon nadat de Russische overheersers in 1863 de Poolse opstand hadden neergeslagen en een einde maakten aan het nationalistische zelfbewustzijn van de Polen, dat met name gevoed werd door de romantische dichter Adam Mickiewicz (1798-1855).

Iedere rechtstreekse verwijzing naar die opstand is in het boek door de tsaristische censuur geschrapt. Maar juist in een van die gecensureerde passages, opgenomen in een bijlage van de vertaling, wordt een verklaring voor die neergang gegeven. Bijvoorbeeld als de Moskouse koopman Soezin tegen zijn zakenpartner Wokulski, de hoofdpersoon van De pop, zegt: ‘Dat is wat jullie te gronde richt: overal, in de handel, in de politiek, met vrouwen, overal halen jullie het hart en nog eens het hart bij…’ Op dat moment besef je dat Prus een liefdesgeschiedenis als metafoor heeft genomen voor een verstarde, decadente en hedonistische samenleving. Mooier kun je het bijna niet verzinnen.

Middelpunt in De pop is koopman Stanislaw Wokulski, die ziekelijk verliefd is op de adellijke Izabela Lecka. Als eigenaar van een winkel in galanterieën meent hij haar alleen te kunnen krijgen wanneer hij rijk is. Maar hij heeft de pech dat de geraffineerde Izabela hem als een parvenu ziet.

Wokulski wordt nu leverancier van het Russische leger in de oorlog tegen de Turken en vergaart een fortuin. Terug in Warschau begint hij in 1878 samen met enkele adellijke lieden een maatschap voor een winstgevende handel met Rusland. Intussen neemt hij de ene irrationele beslissing na de andere. Als Wokulski uiteindelijk inziet dat Izabela hem alleen maar gebruikt om weer in de gunst te komen van mooie, jonge aristocraten die haar vanwege haar verarmde positie niet meer zagen staan, laat zijn gebroken hart hem alles vernietigen wat hij in die korte tijd heeft opgebouwd. Het gaat precies zoals je vanaf de eerste bladzijden had verwacht.

Die voorspelbaarheid stoort je echter niet. De liefdesgeschiedenis, met als vermakelijk hoogtepunt een duel met de oom van Izabela, baron Krzeszowski, wiens tanden Wokulski uit zijn mond schiet, is namelijk niet meer dan een raamwerk voor wat Prus eigenlijk wil vertellen. En dat is het verhaal van het maatschappelijke en morele verval van zowel de aartsluie Poolse adel, die hoofdzakelijk bezig is met potverteren, als van de bourgeoisie, die anders dan in West-Europa alleen aan zichzelf denkt en niet aan het opbouwen van een nieuwe maatschappij.

Maar ook die neergang is slechts een element in deze magnifieke, door Karol Lesman in mooi eigentijds Nederlands vertaalde roman – met hier en daar archaïsche woorden als ‘solemneel’ en ‘geëmbarrasseerd’ om een negentiende-eeuwse sfeer te scheppen.

Verbanning

Ondanks de ingrepen van de tsaristische censuur merk je al gauw dat De pop zich afspeelt tegen de achtergrond van de opstand van 1863. Het Poolse volkslied ‘Nog is Polen niet verloren’ klinkt alleen nog maar vaag op de achtergrond. Ieder revolutionair elan is weggeëbd. Wel lees je dat Wokulski aan een of ander protest heeft deelgenomen en daarna voor straf naar Siberië is verbannen. Sinds zijn terugkeer behoort hij tot dezelfde verloren generatie als Prus zelf, op wie hij dan ook sterk lijkt.

Wokulski – een goeiige, ondernemende, begripvolle, enigszins labiele reus, die zich zowel bij de adel als bij de bourgeoisie een buitenstaander voelt – is zo levensecht getekend dat je soms even meent dat hij echt bestaat. In zijn wispelturigheid en twijfel aan alles en iedereen heeft hij iets diep en diep menselijks.

Opvallend is ook dat Wokulski respect heeft voor de joden, die in De pop een belangrijke rol op de achtergrond spelen. Joden komen in die tijd op als grootstedelijke zakenlieden en treden steeds meer buiten hun gesloten gemeenschap. Daardoor beginnen ze serieuze concurrenten te worden voor hun niet-joodse beroepsgenoten, die zich bedreigd voelen en hun angst in jodenhaat omzetten.

Aan de hand van Wokulski, die zijn galanterieënzaak uiteindelijk aan zijn joodse winkelbediende verkoopt, beschrijft Prus subtiel hoe dat antisemitisme met de dag agressievere vormen aanneemt. Het begint met stenen gooien naar passerende joden en eindigt in het openlijk verkondigen van hun uitroeiing. Polen van het ‘mozaïsche geloof’ veranderen zo geleidelijk aan in Poolse joden, waarbij je joden als een scheldwoord moet opvatten.

Niet alleen schittert De pop in beschrijvingen van de chaotische en de geraffineerde aspecten van de menselijke ziel, ook geeft het boek je een fascinerende rondgang door het negentiende-eeuwse Warschau, waarbij geen sociale laag onbehandeld blijft. Niet eerder heb ik die stad en zijn inwoners zo uitvoerig en gedetailleerd beschreven gezien als bij Prus.

Evenmin heb ik er ooit bij stilgestaan dat de Poolse adel, die nogal omvangrijk was, er in huurhuizen woonde. Weliswaar hadden ze in Warschau grote appartementen, maar ze deelden hun opgang met studenten, arme weduwen, gepensioneerden, wat tot grote onderlinge spanningen leidde. Prus schildert die ergernissen met veel humor aan de hand van een huis van de vader van Izabela Lecka, dat door Wokulski op een veiling is gekocht, omdat hij op die manier zijn berooide aanstaande schoonvader van geld hoopt te voorzien.

In dat huis woont een lastige barones, die haar medehuurders manipuleert en terroriseert. Zij speelt een sleutelrol in het liefdesdrama tussen Wokulski en Izabela, als zij een van haar medehuursters, de onbestorven weduwe Helena Stawska, ten onrechte beschuldigt van de diefstal van de pop die van haar overleden dochtertje was. Wokulski neemt het voor Stawska op en onthult aan de rechter de ware toedracht, waarna zich een hechte vriendschap ontwikkelt tussen de koopman en de beschaafde en lieve weduwe.

Die scène wordt beschreven door de ogen van Wokulski’s hondstrouwe klerk Ignacy Rzecki, een bejaarde Napoleonvereerder en voormalig revolutionair. Rzecki hoopt dat het tot een huwelijk tussen zijn baas en de weduwe komt en dat Wokulski’s obsessie voor Izabela zal verdampen. Prus’ roman ontleent zijn merkwaardige en enigszins willekeurig gekozen titel mogelijk aan deze scène, die in het tweede deel staat.

Enorme vaart

Dat tweede deel, dat anders dan de eerste helft van De pop een enorme vaart heeft, bevat ook een ander veelzeggend hoofdstuk. Nadat Prus in de eerste vierhonderd bladzijden zijn voornaamste personages, hun achtergrond en hun materiële omgeving uitvoerig heeft neergezet, en op bladzijde 196 de joodse dokter Szuman de ondergang van zijn vriend Wokulski laat voorspellen, voert hij zijn held nu naar Parijs, waar in 1878 een wereldtentoonstelling wordt gehouden. Die stad is in De pop niet alleen het symbool van de vrijheid, maar ook van de vooruitgang. Bevrijd van de beklemmende Poolse sociale conventies voelt Wokulski zich hier niet meer afgewezen door de adel en de bourgeoisie, die hem na zijn terugkeer uit Siberische ballingschap geen werk meer wilden geven. Wel hervindt hij er zijn liefde voor de wetenschap, die hij een blauwe maandag aan de universiteit heeft gestudeerd.

Parijs is ook een wereld van kranten, boeken, informatie. Hij voelt zich er een bedeesd kind, zozeer is hij onder de indruk van alles wat hij ziet. De lelijkste winkel ziet er nog altijd beter uit dan die van hem, die de mooiste van Warschau is. ‘Het leven bruiste hier zo dat het niet bleef bij een oneindige drukte van rijtuigen, zich haastende mensen en het optrekken van stenen huizen met vijf verdiepingen om dit tot uitdrukking te brengen, maar het spatte ook uit muren tevoorschijn in de vorm van beelden of bas-reliëfs in de vorm van pijlen en uit de straten in de vorm van ontelbare kiosken.’

De confrontatie met die andere wereld doet Wokulski inzien dat zijn liefde voor Izabela louter gebaseerd is op sentiment en op het werk van een romantische dichter als Adam Mickiewicz, de Poolse nationale held. Niet voor niets roept hij op dat moment uit: ‘Wie heeft mij geleerd alledaagse vrouwen te minachten en op zoek te gaan naar een ongrijpbaar ideaal...?’ Even later vraagt hij zich over Mickiewicz af waarom die in plaats van plezier te maken, zoals de Fransen, alleen maar kon hunkeren en wanhopen. En dan beseft Wokulski ineens dat de Poolse dichter het symptoom van een ziekte is die ervoor zorgt dat zijn vaderland maar blijft tobben, dromen, hunkeren en verlangen in plaats van dat het tot daden overgaat. Parijs, lees West-Europa, is het voor hem helemaal: ‘Hier heb je tenminste een volk dat leeft met talenten die een mens gegeven zijn. Hier worden de belangrijkste posities niet bekleed door de schimmel van suspecte ouderwetsheid, maar worden wezenlijke krachten naar voren geschoven: werk, verstand, wil, scheppingskracht, kennis, zelfs schoonheid en handigheid, en ja, zelfs oprecht gevoel.’

Na een ontmoeting met de chemicus Geist, die op zoek is naar een geldschieter voor een onderzoek naar een metaal dat lichter is dan lucht, lijkt hij zelfs klaar voor een nieuw leven in West-Europa. Warschau, waar men hem nooit heeft zien staan, zou hij het liefst voorgoed vaarwel zeggen. Maar als Geist zijn uitvinding aan een Anglo-Amerikaanse firma verkoopt, komt er een einde aan die droom. En dan zakt Wokulski nog verder weg in het moeras van zijn wanhopige liefde. Je hebt dan nog zo’n vierhonderd bladzijden voor de boeg voordat zijn ondergang compleet is. Bladzijden die ik niet graag had willen missen, zo overweldigend goed zijn ze geschreven en vertaald. Met recht kun je hier spreken van een groots werk uit de wereldliteratuur.