Column

Fijntjes gezegd

Piet Bakker (1897 – 1960), journalist en schepper van Ciske de Rat, vertelt in zijn boekje Zo was het hoe hij eens met de befaamde Amsterdamse wethouder Floor Wibaut over interviews sprak. Wibaut zei: „Misschien heb ik wel honderd persgesprekken gevoerd. Las ik zo’n interview dan in de krant, dan klopte ik me op de schouder, en zei trots tot mijzelf: Kerel, wat heb je dat weer fijntjes gezegd!”

Ik moest aan de zelfgenoegzame arrogantie van die uitspraak denken, toen ik onlangs in deze krant de interessante artikelen las van Tom-Jan Meeus en Derk Stokmans over de Haagse politiek en de parlementaire pers. Sombere artikelen, vond ik, want in de kern kwamen zij tot dezelfde bevinding: de politici doen voortdurend aan message control (dixit Meeus) en voeren een show op (dixit Stokmans) waarvoor de pers zich te gemakkelijk als doorgeefluik laat gebruiken.

Alsof het zo afgesproken was, maar niet heus, verscheen Alexander Pechtold zaterdag in deze krant om het gelijk van deze twee journalisten te bevestigen. Pechtold was uitgenodigd in de serie Het Zomeravondgesprek met David van Reybrouck te praten. Dat het artikel van Ellen de Bruin en Jessica van Geel toch nog lezenswaardig werd, lag niet aan Pechtold, maar aan Van Reybrouck. De Belg was bereid het debat over het politieke systeem voluit aan te gaan. Pechtold niet, die bleef zich defensief opstellen, als een voetballer die op de counter speelt.

„Ik ga niet elke keer op zijn analyses reageren”, zei Pechtold. En: „Ik vind het een heerlijke verdeling zo. Normaal ben ik altijd degene die ervoor moet zorgen dat gesprekken op gang blijven. Ik geniet. Ga door.” En passant maakte hij Van Reybrouck nog het gemakkelijke verwijt dat zijn ideeën vooral ‘studeerkamerwaarde’ hadden.

Laat dat dan zien, zou je hem willen toeroepen, maar Pechtold kijkt wel uit; stel je voor dat hij spontaan meningen zou formuleren waarop hij later kan worden aangesproken. Dat risico neemt de hedendaagse politicus niet, hij doet liever aan message control.

Nu neem ik aan – zie Wibaut – dat ook de politicus van vroeger graag de controle hield over zijn uitspraken, maar uit de ervaringen van parlementaire journalisten als Meeus en Stokmans blijkt dat er veel meer systeem in die controle is gekomen, ook door de invloed van de massaal oprukkende voorlichters.

Het brengt Meeus op de verleidelijke gedachte om, in navolging van de Amerikaanse pers, politici niet zoveel gelegenheid te bieden voor hun reclamepraatjes: minder (lange) interviews. Vooral de schrijvende pers heeft immers een beter alternatief: het kritische profiel, opgebouwd uit eigen indrukken en die van zorgvuldig gekozen insiders. Laat dat programmavullende interview – gaap! - met de premier maar aan de televisie over.

Wat mij betreft mogen ook andere sectoren in de journalistiek deze weg inslaan. In de sportjournalistiek zou weer meer eigen analyse mogen komen in plaats van zwaar op citaten leunende verslagen. Ik hoef de verhullende taal van coaches en spelers niet meer te horen – ook daar is de televisie goed voor; ik wil weten wat de deskundige journalist er zelf van vond. Hetzelfde geldt voor de culturele journalistiek, waar de recensie verschraalt. Waarom eigenlijk? Worden de kranten sindsdien beter verkocht?

Gezaghebbende journalistiek ontstaat alleen als het gezag wordt beproefd.