Eindeloos vechten tegen de bierkaai

Drugsverslaafden in Arizona worden in een strafkamp aan elkaar geketend terwijl ze een T-shirt dragen met I was a drug addict. De War on Drugs duurt nu al ruim honderd jaar en blijkt zinloos.

Philadelphia, mei 1947: Billie Holiday (rechts) wordt aangeklaagd voor heroïnebezit. Naast haar pianist Bobby Tucker en links manager James Asendio Foto Michael Ochs Archives/ Getty Images

In 1914 begonnen twee oorlogen. De ene, die vier jaar duurde, is het afgelopen jaar uitgebreid herdacht: de Eerste Wereldoorlog. Over de andere, die nog steeds voortduurt, schreef de Britse journalist Johann Hari (1979) het aangrijpende Chasing the Scream. Dat boek is deels een geschiedenis van de zogeheten Oorlog tegen Drugs, met reportages van de frontlinies, en deels een fel pamflet tegen de criminalisering van het drugsgebruik.

De term War on Drugs werd een bekend begrip in 1971, nadat de Amerikaanse president Nixon had verklaard dat drugsgebruik ‘publieke vijand nummer één’ is. Maar Hari laat zien hoe een hoge Amerikaanse functionaris al in de jaren dertig een ‘meedogenloze oorlog’ tegen drugs aankondigde – en die ook met overgave begon te voeren. De basis daarvoor was de zogeheten Harrison-wet, die het Congres in 1914 had aangenomen. Maar vooral na de intrekking in 1933 van het verbod op alcohol, de beruchte ‘prohibition’, werd de strijd tegen verdovende middelen opgevoerd tot een bikkelharde confrontatie, met heel veel slachtoffers en heel weinig succes.

Hari is niet alleen een begaafd auteur, hij heeft ook een meer dan gemiddelde betrokkenheid bij zijn onderwerp. Een voormalige geliefde van hem worstelt met zijn crackverslaving, schrijft hij, en het leven van een naast familielid is getekend door haar cocaïnegebruik. Hari zelf heeft jarenlang handenvol peppillen geslikt en hij voelt zich ‘op een vreemde manier aangetrokken tot verslaafden en mensen die aan het afkicken zijn.’

Dat laatste komt tot uiting in het grote inlevingsvermogen waarmee hij schrijft over een stoet aan verslaafden en hun vaak tragische levens – van de legendarische jazz-zangeres Billie Holiday tot de beklagenswaardige vrouwen die in onze tijd vanwege hun drugsverslaving zijn veroordeeld tot een strafkamp in Arizona. Aan elkaar geketend moeten ze in de brandende zon langs de kant van de weg papier en ander afval opruimen, gehuld in T-shirts waar met grote letters op staat: I was a drug addict. Vernedering staat bij hun straf centraal.

Massale vervolging

Persoonlijke verhalen vormen het hart van dit boek. Het eerste deel bestaat uit de kleurrijke portretten van drie Amerikanen wier levens nauw verweven waren met de beginjaren van de drugsoorlog. Harry Anslinger stond van 1930 tot 1962 aan het hoofd van het bureau voor drugsbestrijding en was de drijvende kracht achter de massale vervolging van verslaafden en de artsen die hen wilden helpen. Als 12-jarige jongen op het platteland van Pennsylvania zou Anslinger getraumatiseerd zijn door de aanblik van een hysterisch om drugs schreeuwende buurvrouw – de titel van het boek, het verjagen van de schreeuw, verwijst naar zijn missie om niet alleen dat schrikbeeld uit zijn herinnering te bannen, maar ook alle drugs de wereld uit te helpen.

De orthodox-joodse gangster Arnold Rothstein, uit New York, zag al snel in dat het verbod op drugs gouden kansen bood voor wie bereid was de illegale markt te bedienen. Hij liet grote hoeveelheden heroïne uit Europa komen, waar het nog wettig kon worden geproduceerd, en liet het spul door handlangers in Amerikaanse steden op straat verkopen. Met grof geweld intimideerde hij concurrenten en bewaakte hij zijn reputatie. Na hem zouden nog hele generaties drugshandelaren op die manier steenrijk worden dankzij het verbod op drugs – dat dreef de prijs omhoog.

De derde tijdgenoot is Billie Holiday, die zonder ouders opgroeide in de sloppen van Baltimore, als tienjarige werd verkracht en via de prostitutie en de gevangenis sterke drank en heroïne ontdekte. Toen ze zich ontpopte tot een succesvolle zangeres werd ze het favoriete doelwit van Anslinger en zijn mannen – die haar uiteindelijk klein kregen. Racisme speelde daarbij een aanzienlijke rol: Holiday was Afro-Amerikaans en volgens Anslinger en vele anderen in die tijd maakte drugsgebruik met name zwarten en andere etnische minderheden tot gevaarlijke monsters.

Na een reeks arrestaties, veroordelingen, en hele en halve pogingen om van de drugs af te komen werd Billie Holiday uiteindelijk, toen ze 44 jaar oud doodziek in een ziekenhuis lag, door de mannen van Anslinger gearresteerd en handboeien omgedaan, omdat ze een paar gram heroïne in haar appartement zouden hebben gevonden. Ze stierf met agenten aan haar bed, schrijft Hari, die haar, slachtoffer van de drugsoorlog, opvoert als kroongetuige in zijn aanklacht tegen het repressieve drugsbeleid.

Hari neemt zijn lezers mee op reportage door de Verenigde Staten, Mexico, Canada, Engeland, Uruguay en Portugal, waar hij spreekt met soldaten, strategen, tegenstanders en slachtoffers van de drugsoorlog. Het levert een fascinerend panorama op. Tegenover het levensverhaal van de kleine drugshandelaar uit Brooklyn staat de geschiedenis van een politievrouw uit Baltimore, die haar vak heeft gekozen nadat haar beste vriendin is vermoord door een drugsbende. Er is het huiveringwekkende relaas van een Texaan die als 15-jarige in dienst van een Mexicaans drugskartel kwam en leerde hoe je moet moorden en onthoofden. En de tragedie van de Mexicaanse vrouw wier dochter vermoord wordt door haar vriendje – omdat de laatste bij een gevreesd kartel zit, steekt hij geen poot uit.

Marginalisering

Er zijn ook tekenen dat de wind eindelijk draait, schrijft Hari hoopvol. In Uruguay is cannabis volledig gelegaliseerd, en in Portugal worden goede resultaten geboekt met decriminalisering van drugsgebruik en met preventie en behandeling van verslaafden in plaats van bestraffing.

Een complete geschiedenis van de drugsoorlog geeft Hari niet – Colombia, Birma, Afghanistan en Nederland bijvoorbeeld komen in zijn boek niet aan de orde. Maar hij slaagt er goed in te laten zien hoe contraproductief het harde drugsbeleid is, dat verslaafden straft en marginaliseert, de georganiseerde misdaad in de kaart speelt, complete steden en landen ontwricht en ten prooi laat vallen aan corruptie – terwijl het er nooit in slaagt drugs echt uit te bannen.

Hari is dusdanig overtuigd van zijn gelijk, dat tegenstanders van zijn visie er bekaaid vanaf komen. Zo legt hij wetenschappelijk onderzoek steeds zo uit dat het helemaal in zijn straatje past – bijvoorbeeld over de vraag of de verslaving volledig wordt veroorzaakt door de drugs zelf, of vooral door sociale en persoonlijke omstandigheden, zoals Hari stelt.

Tegelijkertijd is er hem veel aan gelegen om volledig open kaart te spelen over zijn bronnen. Al op jonge leeftijd was hij een gevierd verslaggever en politiek columnist, wiens werk in bladen in tal van landen verscheen. Maar in 2011 bleek dat hij plagiaat had gepleegd en had gerommeld met citaten in interviews, en toen was hij zijn reputatie in één klap kwijt. Dit boek is een geslaagde poging zijn rehabilitatie te bewerkstelligen.

Op een website die bij het boek hoort zijn geluidsfragmenten te beluisteren van alle interviews die hij voor het boek heeft gehouden. Ook is er een rubriek met aanvullingen en correcties op het boek, waarin lezers worden uitgenodigd fouten te melden en geeft hij daar tips voor lezers die willen helpen een eind te maken aan de drugsoorlog.

Dat de drugsoorlog over de hele wereld veel ellende heeft aangericht is allang bekend. Maar met zijn persoonlijke verhalen en zijn menselijke betrokkenheid maakt Hari de conclusie onontkoombaar dat het beëindigen van deze zinloze strijd de hoogste prioriteit verdient.