Eindelijk effect van gentherapie op taaislijm

Patiënten met taaislijmziekte (cystische fibrose) die een jaar lang gentherapie kregen behielden in dat jaar hun longfunctie. De patiënten die in dat experiment een nepbehandeling kregen, verloren daarentegen 3,7 procent van hun longcapacviteit. Daarmee is voor het eerst een positief effect van gentherapie bij taaislijmziekte aangetoond.

Taaislijmziekte is in West-Europa de meestvoorkomende recessief overervende ziekte. Dat betekent dat een ziek kind een gemuteerd gen van zijn vader en van zijn moeder heeft geërfd. Die zijn meestal zelf niet ziek, want één intact gen beschermt. Ongeveer 1 op de 5.000 pasgeborenen in Nederland heeft taaislijmziekte.

Sinds de erfelijke code van het bij taaislijmziekte betrokken gen in 1989 werd opgehelderd, bestond het idee dat gentherapie makkelijk zou zijn. De ziekte gaat gepaard met dik slijm in longen en darm. Vooral door de moeilijk te bestrijden infecties in de longen overlijden patiënten gemiddeld rond hun veertigste.

De eerste gentherapie-experimenten zijn al vijf jaar na het ontdekken van het gen gedaan. Onderzoekers dachten dat het makkelijk zou zijn, want het longoppervlak is goed van buitenaf voor therapie bereikbaar. De standaardaanpak bij gentherapie is om een intact gen in een onschadelijk gemaakt virus in te bouwen. Dat virus infecteert cellen en bouwt het ‘gezonde’ gen in tussen het DNA van de gastheer. Daar zijn virussen goed in.

Maar in de longen is een sterk afweersysteem actief. En de gentherapie moet regelmatig worden herhaald, want het lichaam vervangt longcellen snel. Als het afweersysteem de gentherapievirussen eenmaal herkende ontstond er bij iedere nieuwe toediening een afweerreactie. En zo zijn de afgelopen 20 jaar 25 gentherapie-experimenten bij taaislijmziektepatiënten mislukt.

Britse onderzoekers begonnen al voor 2000 experimenten met kaal DNA – zonder virus – hopend op minder heftige afweerreacties. Ze verpakten het ‘gezonde’ gen in een cirkelvormige DNA-molecuul en dienden dat met een vernevelaar toe aan proefdieren en patiënten. Na veel wijzigingen, onder andere ook om het afweersysteem niet te laten aanslaan, is er nu het eerste succes. „Een matig effect”, noemen de onderzoekers het zelf, maar het is wel het eerste bewijs dat maandelijkse toediening de achteruitgang van longfunctie kan stopen.