Duo dat liever praatte over dijken en vijvers dan over ‘killing fields’

Rudie Kagie leest elke week een ‘fout’ boek over een politieke leider die inmiddels op de mestvaalt van de geschiedenis is beland. Vandaag: Pol Pot.

Illustratie Pepijn Barnard

Een bloeddorstiger regime dan dat van de Rode Khmer werd in de wereldgeschiedenis niet vertoond. Uit naam van de revolutie vonden in de tweede helft van de jaren zeventig minstens twee miljoen Cambodjanen de dood, een kwart van de bevolking. Wie niet achter de Khmer aanliep, was een ‘klassevijand’ en had te vrezen voor zijn leven. Niet dat het Amerikaanse journalistenduo George Hildebrand en Gareth Porter de genocide wilde goedpraten, maar er was reden om op zoek te gaan naar de nuance. Klopten die gruwelverhalen wel?

Helaas was het niet mogelijk om ter plekke te gaan kijken, maar op grond van ‘documenten’ wisten Hildebrand en Porter in Cambodia: Starvation & Revolution (1976) te onthullen dat onder supervisie van roerganger Pol Pot iets groots werd verricht: „Onder de leus ‘vertrouw in de landbouw op het volk en niet op de hemel’ begonnen honderdduizenden mensen koortsachtig dijken en dammen te bouwen en reservoirs, vijvers, kanalen en sloten te graven.” Geen woord over hongersnood, massaslachtingen of killing fields.

Het zat de auteurs dwars dat Amerikaanse media Cambodja afschilderden als een door dwaze revolutionairen geleid barbaars experiment. Jaren later gaven de schrijvers beschaamd toe dat ze door ‘intellectuele arrogantie’ waren verblind. „We zaten goed met onze veroordeling van de oorlog in Vietnam, we dachten met onze beschrijving van wat in Cambodja aan de hand was ook goed te zitten”, zei Porter.

Het gewraakte boek verscheen in 1979 in Nederlandse vertaling onder de titel Kampuchea 1970-1975. Ernst Utrecht, een kenner van Indochina en auteur van een doorwrocht oeuvre, prees in zijn nawoord het „unieke ontwikkelingsmodel” dat de Rode Khmer in praktijk had gebracht. In „Kampuchea” was het gelukt om de „bovenliggende sociale klassen” te elimineren. „De intellectuelen verloren hun sociaal en economisch bevoorrechte posities die zij hadden ontleend aan hun beroepen, zoals particulier arts, advocaat, bankier, groothandelaar, landheer, corrupt generaal, corrupt bestuurder enzovoorts. Na de bevrijding van Kampuchea werden zij vrijwel onmiddellijk gedwongen om als gewoon landarbeider in het levensonderhoud te voorzien.”

De beschrijving riep het beeld op van een strafkolonie, maar daar leek Utrecht niet mee te zitten. Hij vond het relevanter om erop te wijzen dat de rijstproductie onder Pol Pot was verdubbeld. Ook de zware industrie zat enorm in de lift. „De revolutie in Kampuchea heeft ongetwijfeld slachtoffers gevergd”, erkende de auteur. „De verhalen over volkerenmoord moeten echter gezien worden in het licht van de gebruikelijke hetze tegen de revolutie.”

Uitgeverij Het Progressieve Boek was gelieerd aan de maoïstische splinterpartij KEN-ml. Uit het partijarchief blijkt dat een tweede bewieroking van de Cambodjaanse goelag uit het Zweeds werd vertaald, maar dat boek verscheen nimmer in druk. Het was te laat. In 1980 was te veel over de Cambodjaanse verschrikkingen bekend om die nog te kunnen ontkennen.